23 oktober 2020

SLODDERVOS.

Al weken woonden we ergens
tussen de borden en de bekers
van onze

gootsteen,
een beetje als vlekken
die niet van hun plek wilden komen,

schoonmaak
die gedaan moest worden,
maar waar ons hoofd niet echt naar stond.

We waren ets verloren
en misschien
hadden we beter een pelgrimstocht kunnen maken,

maar dat was niet wat we deden,
tot op
een dag –

We hadden de kommetjes geordend in de kasten,
de toespraak
en de bloemen

op de achterbank gelegd en
alle afwas droog en netjes
opgeborgen.

Er was iets van applaus onder water,
net
voordat we vertrokken.

De weg voor ons
had zijn witte strepen uitgestrekt. Soms
kwamen we een vos tegen die werd

geplet
onder een autoband
of een eekhoorn,

de pootjes gespreid,
een beetje zoals Jezus
en we reden gewoon door.

Jij,
die een raampje opende en ik
die het weer dicht

deed.

– Malon

23 oktober 2020

HEIN, HET MAGER MEISJESKIND.

Naast haar het witte vlak
zoals zij is, de tint
verloren

in het licht.
Haar wit ligt op het keukenblad,
viel door het raam. Binnen

zit de oude dame met haar pop,
kind
met een hamer.

De nek met dertig kragen
kraakt op de grond
een oog rolt

weg,
naar boven starend.
Hals over kop bedenkt de dame zich dat

alles wat werd aangeleerd
niet zomaar
afgeleerd kan worden.

Er is een voet die draait
voor de dans in de schemering,
er is een rib

waaraan een mes zich slijpt.
Er is een lijk met honderd zestig namen.
Een schaduw schuilt

onder het altaar –
Huilt
om haar afwezigheid.

Was zij verminkt al voordat ze ontstond of
is ze zo
geworden.

Het kind
draagt daadkracht in haar vuistje,
Soms wijkt de dood

van zijn gedaante af –
Niemand
sluit zij uit.

– Malon

23 oktober 2020

SCHEER JE WEG, STER.

Veel te vaak nog voel ik die
versnellende hartslag in je onderbuik
kloppen

en hoor de maan
die krijst boven de zee,
dan wil ik

het donker zo donker dat het de sterren opslokt en samen
met hen

verzwolgen worden.
Ik wil vergeten.
Het is het enige.

Het enige dat werkt. Het enige
dat mij nog uit de nacht trekt is het zwarte
zelf. Zo.

Zo, onder een lege hemel
is geen verleden, hier ziet niemand
het decoratief kleed

dat ik ben,
omdat de neiging van een man dat
om mij legde.

Al wat nog mij met hem verbindt
is die
herinnering –

Maar wat nou als afwezigheid
geen betekenis kent
en de tijd

geen getuigenis,
wat als ik de ruimte om kon buigen
en de ster kon laten sterven.

Dan kon ik alles zomaar weg denken.
Ik kon hem
omleggen.

Misschien kan ik dan zelfs
nog eens uit die auto stappen voor we naar
weet-ik-veel-waarheen toe

gingen,
die laan door
met aan beide kanten hoge seringen

en herboren worden
als meisje
dat niet vermist werd.

Want elke keer,
na al die jaren,
dat ik weer contact opneem met mijn lichaam

is het zwart,
teer,
leeg en asfalt,

zoals de zijweg met de hoge seringen,
waarop ik terug liep in die zomer
op vieze,

blote voeten
en bloemen, kaarsen, liefde, zand
in mijn schoenen, maar ook

die onvrijwillige handen – Niets
nog iets weten wilde
van geschiedenis.

– Malon

23 oktober 2020

GOD, DE GUPPY’S EN DE GOLVEN.

Het kwam zichtbaar uit me groeien –
Die nieuwe,
moeilijke situatie

en sindsdien kan ik alleen nog maar naar
aquaria staren,
roeren

in een vissenkom
en langzaam,
heel erg langzaam

mijn eigen golven maken.
Ik fok vis.
Ik filter lucht.

Ik ben de ingenieur van de kom en vlucht
van alle ingewikkelde dingen
die buiten

mijn macht liggen. Ik
speel God
in deze kleine wereld.

Dit ligt binnen mijn invloedssfeer.
Hier beslis ik
en ik maak golven, eigenhandige

golven en soms,
als het tegenzit,
roer ik zo wild. Zo wild dat de vissen over de rand

flikkeren, op de tafel landen,
spartelen. Zie ik mijzelf er
worstelen,

trek ik de deur achter me dicht
en laat God God, de golven golven, de guppy’s guppy.

Ze wedijveren
over wie de sterkste is.
Een zinloos front

tegen de zee.

– Malon

23 oktober 2020

STROEVE LELIE.

Ja, mamma, ik weet het.
Ik was de wind die toevlucht zocht 
achter je rug, ik

heb je rand verkend
en ook
je binnenland.

Ik heb de parapluutjes op je hemd geteld
en het verdriet
eronder

en er is wederom
geen zon te zien
vanochtend.

Was er nog maar zoiets als
brood dat in de velden lag,
een cracker

waar jij om wou vechten,
maar mammameeuw
je slaapt al eeuwen.

Hoe ben je zo gewend geraakt
aan het verliezen
en de kou.

Terwijl de vogels rustig overvliegen
en eten voor het grijpen ligt
vouw jij je in

je bed, mamma,
wees alsjeblieft toch sterk,
dat je de ochtend overeind komt, als die zon

tegen het trekken
van de zwaartekracht
en niet blijft liggen.

Elke stap heb je voor mij gezet,
dat weet ik
en ook

wat je veel liever had gewild, mamma.
Dat je het liefst nog eeuwen
even

dieper in jezelf gewroet had en gegraven
en
geslapen,

maar ik wil je zo graag zien, weer, mamma,
wil je zien opstaan uit de aarde,
mamma.

Jij daar,
in jouw glooien.
Het open plooien

van jouw
stroeve
lelie.

– Malon

12 oktober 2020

KON IK MAAR BETER LIEGEN.

Pappa,
zeg me hoe ik door moet
als jij niet verder gaat,

waar
ligt nu weer de rest van later.
Ik haal de vuisten uit mijn handen

en zet er veel te kleine pasjes
met mijn veel te kleine
stapjes.

Nee, pappa,
ik wil niet daarheen.
Ik word er wakker voor de nacht aanbreekt, dan

zoek ik jou,
maar het is licht in deze stad. Altijd maar akelig
brandende

neon
lampen.
Ik zoek je lichaam op de tast,

maar ik geloof niet pap, ach,
kon ik maar –
Kon ik maar liegen en mezelf bedriegen

in een illusie leven
ver van hier.
Wat was ik graag die kat die

in het licht van een portiek,
een lief café,
een kleine steeg

of het gebied onder de straatlantaarns
zijn eigen schaduw op de muur
vier keer zo groot

als zichzelf ziet staan.
Wat had ik graag geloofd in fakirs,
monniken

en kale priesters,
Hare Krishna’s met oranje gewaden, die
geitenwollen-sokken-dragers

in veel te ruime,
houten
sandalen

en kruidendokters
wierook,
vaders

die in de hemel zijn.
Och, pappa
werd jij maar waankomeet,

je uitgestrekte armen strepen,
vallend door de ozonlaag,
dat ik je

uit de nacht kon halen,
gouden staart
en dat je bij het sterven fonkelt,

steeds helderder wordt
als je me
nadert.

– Malon

12 oktober 2020

HOOFDPIJN.

Pap, als je
straks
mijn stem niet meer herkent, zal ik

vanbinnen
je oor bedekken.
Ik zal mijn hand op de hinder leggen, het ruisen

dempen.
Je hoeft vandaag niet aan je hoofd te denken,
doe maar net

of het niet werkt.
Je hebt zo lang al deze druk verdragen,
de zwelling

in je hersenen
en als je vannacht weer dat hoofd verlaat
en opstaat

in de morgen,
zonder verder, zonder
vragen,

zonder zonder zonder
zorgen,
laat mij je sloffen voor je op de grond zetten

en een
kop koffie.
Pap.

Al deze onbegrepen klanken.
Laat mij ze temperen
en zalven,

laat mij het warmtecompres zijn in je nek.
Ik trek me terug
in je zwarte

vlekken.
Je mag zo weg zijn als je bent,
verdwenen

in je witte geest, want
ik woon elders, pappa, elders.
Elders

in je verdunde schedel
waar ik weiger
vergeten

te worden.

– Malon

11 oktober 2020

ZONDER HET TE WETEN.

Nee, noem deze nieuwe opening
geen letsel,
noem het

geen verse wond.
Ze is geen schram, ze is
een uitgang.

En vandaag wil ik jouw naam doorgronden.
Ik,
die in duizend gouden splinters

door jouw kosmos ging. Ik,
die aan het langzaam broedbed hing
en zich er vormde.

Dit nest, dit nest waar ik in ben verwekt. Jij
gaf me deze wereld.
Negen maanden bleef ik. Ik kreeg

alle
tijd en ruimte
om uit jouw buik te breken.

Het was een vreemd gebaar in laat september.
Ik wist niet wie je was, moeder,
en nooit

heb je het uitgelegd.
Een vrouw, ineens, hield er mijn naakte lichaam
stevig

tegen haar warme borst
en zorgde,
zoogde.

In jouw kuiltje
ben ik toen ontsproten, mam, kwam uit je bekkenbodem rollen

en heb mij uitgevouwen in je schoot,
volgde je adem tot het automatisch ging
en heb geprobeerd

je naam te vertalen,
maar niet ooit wist ik wie je was,
moeder,

toen ik
je lijf
verliet.

Het was iets vanzelfsprekends,
iets heel
zachts en iets

dat bij me bleef. Je was mijn moeder
zonder het te weten, gewoon
iets liefs van liefde

dat ik alleen
kon
voelen.

– Malon

10 oktober 2020

MEISJE IN IJS.

December, landschap van de kale tak,
kondigt de komst
van de kortste dag

aan. En jij die alsmaar wil gaan schaatsen
op dat harde nat,
terwijl onder metaal het water brak en zij daar

in het wak
verdween.
Ze leek zo veel te veel op mij en

zeven winters ga ik nu al
door een kleine ijstijd heen.
Ik smeer de winter in mijn lijf.

De strenge winter
die haar blaadjes rouwt,
het licht

onder de sneeuw.
Ik hoorde zwanen op het koude kwaken
over een meisje

in een meer.
Ze krijsten, sloegen hun vleugels tegen elkaar
tot het alleen nog

veren waren.
Dwarrelend, als vlokken, los,
legden ze witte lagen

op haar neer.

– Malon

09 oktober 2020

UITGEMOLKEN MOEDERS.

Er is een ei dat splitst, een kind dat rilt
in een vermoeide placenta,
er is

het stikken en bedorven koek
en er is altijd
die verspilde moeder.

Wie stelpt toch dit inwendig bloeden.
Wie haalt het dode kind
uit het gat

in mijn voering.
Wie schraapt het lichaam van de vloer
en wie begraaft haar.

Toe – krab het van mijn randen af en haal
haar
uit mijn haren.

Het kind breekt af
in mijn binnenwater,
krijgt niet de kans om

meer
te zijn.
De melk in mijn borst is zuur geraakt,

mijn kleintje
ver al
over datum.

Na jaren sta ik op haar plaatsje,
witte groeve.
Het is goed.

Blijf maar lekker slapen, meisje.
Ik overzie het lege weiland,
de zwarte lucht

steekt heel mooi af
tegen het dor gezicht
van gestorven

graan.

– Malon