19 februari 2020

VOOR MIJN MEISJE.

Jij hebt met je naakte huid
mijn schaamte
uit weten te dagen

en me duizend redenen gegeven
om weer
vrouw te willen zijn.

Je verdreef het aarzelen,
duwde de duisternis opzij en
streelde elke dove plek

tussen mijn dijen.
En ik zit voor je, op mijn knieën,
blote neus

in je blote navel
de geur te ruiken van de plek van
waar je

toch vandaan komt.
De aarde draait als nooit te voren
om jou om

ons, elkaar, het
houden van en haar, haar, zij, wij. We
wisselen ons lichaam uit.

Jij ruilt je om voor mij
en ik
glijdt uit mijn lijf en durf

in jouw huid te verdwijnen.
Dit liefhebben van ons is meer dan vriendschap,
meer dan

heiligdom of
vrijheid.
We zullen eeuwig elkaars open kooi zijn.

Ik heb je lief,
zo lief, zo
liever lief dan alles en eenieder,

dus dans maar
in je vieze jurk
Ik zal je

dragen als mijn eigen.

– Malon

19 februari 2020

JE HOEFT HET LOT NIET VOOR TE ZIJN.

Er komt een dag dat een van ons al
voor de lente uit
vertrekt.

Dan halen we de zomer niet en
valt het
scheve hek

om
en om en om
rolt het dan van de berg en

elke brug
trekt krom.
De dingen storten in en wij.

Wij zullen waanzin zijn
van chaos,
puin,

op straat de tegels tellen
en de klinkers.
We zullen op de grond liggen

en zand rapen,
klonten modder
onder onze nagels bewaren,

want misschien –
Misschien
ben je daar.

Ben je daar?
Lief’ling, tot het zover is,
ik smeek je,

laat je koffers staan
en maak het af, samen met mij,
tot waar het gaat.

Ik zal klampen om je heen,
gewoon voordat het lot toeslaat
als wij er niets van

weten en er
strengelen,
zo bang en net zo lang

tot je mij opneemt,
weer
met oude ogen waarneemt

en ik zal hangen,
wachtend hangen aan je benen,
totdat ze niet meer weten

waarom ze toch ooit
dachten weg
te moeten

wezen.

– Malon

18 februari 2020

WAAR ZEE NOG WATER WAS.

En als ik sterven zal, mijn liefste,
laat dan de deuren
op een kier

en zet de ramen open.
Hervat je stap, vervolg, loop door
de kamer heen,

trek een kop thee
zoals je altijd deed en wees loyaal
aan je geheugen.

Maar vooral: vergeet.
Vergeet wat je moest doen,
zo even.

Het doet er helemaal niet toe.
Wees onbevreesd,
alsof het allemaal zo is

zoals het
altijd is geweest
en neem de veerboot.

Neem de veerboot naar het eiland
waar we eerder samen kwamen,
daar waar de einder

onbestaand leek,
de zee weer water worden kon
en water

week.

– Malon

14 februari 2020

KLUISTERKIND IN EEN KLOOSTERTUIN.

Wat zou ze graag het water zien,
het geluid horen van schelpen,
zilt en

rusten op de ruis van dingen
die om haar heen
geboren worden.

Ze wil weer ergens slenteren
zonder doel
en drentelen

waar de wilde klimop kruipt,
het niet zo naar vervuiling ruikt,
uit de tuin de

hoepel halen
en roestig, maar wel heel voldaan een
rondje gaan.

Draai maar, molen,
draai en draai en
draaf mee met de paarden,

laat de koeien tarwe
grazen, haar de
witte schapen zien,

geef je gele regenlaarzen,
die van
plassen stampen dromen dromen

en
herenig blaren met de bijl,
de zaag, de heggenschaar, de

bodem. Aarde,
wuif en stuif en leef je uit.
Span je stramme spieren aan,

schud ze om en waai haar op, want
zelfs haar tranen
komen niet meer buiten.

Het stof
klontert.
Alleen de vlek in het tapijt

bewijst nog iets van haar bestaan.
De ruiten zwijgen.
Niemand

raapt haar op.

– Malon

13 februari 2020

BOVENOP HET PUIN


(“vrije vertaling van “sur la ruine”)

De stad is er moe van
in de regen te staan. 

Het valt



neerslachtig

op haar daken neer

en breekt zichzelf af in de schaduw.



En ik, Rimbaud, ik ben hier en ik schrijf je 

met lucifers,

dronken van koffiedik,


op plastic kaasverpakkingen,

maar je kus, 

die mis ik.



De leegte verlokte me
naar de holte van kelders,
zo donker. God, ja, Ik weet het.



Maar deze cel is mijn bestemming.

Het is mijn lot pijn te lijden 

door lief te hebben.


Maar ook, ook onderwees ze me

hoe alles vergeefs is onder de zon
en dat we ècht bestonden. Nee,



de leegte maakt me niet langer kapot.
Ik heb besloten

dat dit mijn zondvloed is.



Ik kom alleen de dag nog door, nu, 

hopend dat de dood 
ons in lakens zal kleden,
e
en hemels bed

voor ons tweeën opricht

en dat ik je laten kan, 

wetende 



dat we niet zijn geboren uit marmeren stenen,

maar het licht van twee vogels

die dansten


op elkaars vleugels.



- Malon

13 februari 2020

SUR LA RUÏNE.
(reflectie op het gedicht “il pleure dans mon coeur” van Paul Verlaine (1844-1896))

La ville est fatiguée
de se tenir sous toute la pluie.
Elle tombe sur ses toits

et s’effondre
dans l’ombre.
Et moi, je suis ici, Rimbaud.

Ici je suis et je t’écris
avec des allumettes, trempées
dans le marc de mon café.

Qui aurait pu savoir
que l’ennui me séduirait
au creux d’un caveau tant noir,

avec des paquets de fromage sale,
mais sans ton âme
et ton baiser.

C’est une prison, mais mon destin,
l’enfer du mal
que je souffre en aimant.

Et aussi, il m’a appris
que tout est vain
sous le soleil.

Mon mari, mon tout. Nous avons veçu!
Non, l’ennui ne m’effraie plus.
J’ai décidé c’est mon déluge.

Et maintenant, le seul qui reste
est l’espoir que la mort nous dresse
un lit de joie et de tristesse,

de plaisir et de désespoir
et te laisse, sachant, ce
qui se cache derrière nous, simplement

n’est pas né
d’une pierre de marbre,
mais la lumière

de deux oiseaux
qui dansaient
sur les ailes de l’autre.

– Malon

13 februari 2020

SUR LA RUÏNE.
(reflectie op het gedicht “il pleure dans mon coeur” van Paul Verlaine (1844-1896))

La ville est fatiguée
de se tenir sous toute la pluie.
Elle tombe sur ses toits

et s’effondre
dans l’ombre.
Et moi, je suis ici, Rimbaud.

Ici je suis et je t’écris
avec des allumettes, trempées
dans le marc de mon café.

Qui aurait pu savoir
que l’ennui me séduirait
au creux d’un caveau tant noir,

avec des paquets de fromage sale,
mais sans ton âme
et ton baiser.

C’est une prison, mais mon destin,
l’enfer du mal
que je souffre en aimant.

Et aussi, il m’a appris
que tout est vain
sous le soleil.

Mon mari, mon tout. Nous avons veçu!
Non, l’ennui ne m’effraie plus.
J’ai décidé c’est mon déluge.

Et maintenant, le seul qui reste
est l’espoir que la mort nous dresse
un lit de joie et de tristesse,

de plaisir et de désespoir
et te laisse, sachant, ce
qui se cache derrière nous, simplement

n’est pas né
d’une pierre de marbre,
mais la lumière

de deux oiseaux
qui dansaient
sur les ailes de l’autre.

– Malon

12 februari 2020

DUIZEND KOPPEN IN DE ZEE.

De zee stoeit met haar water
en de golven vragen
offers.

Het is vroeg donker en in haar hand vergaan
ideeën,
omdat dat nou eenmaal moet

of hoort.
Ze heeft er vrede mee, duikt
honderd malen naar beneden

met onder zich de schaduw van iets
onbeweeglijks.
En het bleken niet de walvisvaarders,

maar de blauwgrijze dolfijnen,
drijvend
op hun rug.

Ze wou er terug voor gaan,
balans bewaren op de druppel die zo groot was
als haar oceaan,

maar er was geen draagvlak,
alleen het schuim daar rond hun snuiten
en het gruis

van de witte maan.
Ze stak het in een urn en liet het lichaam
aan de vloed.

Ze keek ze na,
reddeloos verloren.
Duizend lichte koppen,

van haar af drijvend.

– Malon

11 februari 2020

ALLEEN DE WOESTIJN HEEFT ALLE TIJD.

Ik zag een oude man
aan zijn einde staan,
daar

midden op de dag.
Hij vertelde hoe zijn tuin erbij lag
en hoe

zeer het deed. Het zit erop. Het
hoeft niet meer.
Ik ben klein geworden, krom en

teer. Het grasland lonkt, leg me neer,
niet in de bossen om me heen,
maar in mijn eigen

grond.
Nu de dood veel dichterbij komt
lijk ik

minder haast te hebben,
maar aan het laatste restje van mijn tijd
valt elke korrel veel te hard

en zie ik niet alleen het zand,
maar ook de
zwaartekracht.

Ik heb de aarde omgeploegd
met mijn handen
in de modder,

op zoek naar
onbewoonde plekken,
maar ik heb ze niet gevonden, nergens

was het land
waarvan ik
droomde.

– Malon

10 februari 2020

ALS IK NIET SLAPEN KAN.

Mamma, ik ben bang voor binnen
en al dat onderhuids
geboren wordt.

Mijn adem rilt van haar verloren water,
vocht trekt weg
uit heel dit lichaam en de

buitenkant
zuigt zich naar binnen. Mam, het schuurt
onder mijn frêle huid,

ik word
doorzichtig.
Zie je me niet meer.

Ik wil weer opgekropt
in je peulwand liggen. Je bent
mijn schutblad in de

kille nachten. Wìl je mijn
bestaan
verlichten.

Kindje, laat je bloem maar los en
leeg je longen.
Laat je adem door mijn lichaam gaan en

stroom maar daar doorheen
vanavond.
Ik zal je wiegen.

Voel de golven van mijn borst en
bloed er open
op mijn boezem. Ik zal je troosten.

Hoe dan ook.
Morgen klap je open,
bloei je terug in licht en lucht,

maar voor nu
ontzie ik je.
Droom mijn dromen maar en neem

mijn rust.

– Malon