26 juli 2020

NIET ALTIJD MET EEN SPORTWAGEN.

Ineens, na
jaren wonen in mijzelf weet ik
niet meer

waar ik ben. Mijn hemd is nat, ik
wapper
in de wind,

heb licht bewaard in glazen bakjes
maar ze zijn
omgevallen.

Ik vind mijn tuin niet meer. Ik zie wel gras
en takjes, rotte
wilgenbast en ook het

netje
van een lege vetbol
die daar nog hangt van van de winter.

Ik zie het pad, maar niet –
Is dit het dan, vraag ik me af.
Dat gat

waarover ieder spreekt.
Halsoverkop beslissen en dan maar
graven in het land

tot je de
leegte vindt.
We wroeten tot we vallen.

Het kind is mij is moe,
verdwaald tussen de eigen bloemen.
De vader

veel te zwak
om te gaan zoeken.

– Malon

26 juli 2020

VOOR HET SLAPENGAAN.

Verspil de nacht toch niet
door niet te dromen. Doe je slome
ogen toe en

laat de slaap maar komen.
Wees moe. We
hoeven nergens meer naartoe.

Zie je het zwart dat zich
daar voor doet.
dat is het niets

met al haar ruimte.
Wees gerust.
De hemel vouwt zich voor je

open.
Kruip maar in je bed, daar
is de wereld groot, maar

hoef je
niet zo ver
te lopen.

– Malon

26 juli 2020

BLOEIEN IN JOUW SCHOOT.

Ik heb het zien gebeuren:
de nacht die zich te ruste legt op
land

en hoe wij
zachtjes
uit de aarde kwamen.

Wij waren perzikbloesem in een vroeg april,
laat maart,
de stelen

om elkaar gedraaid.
Ik zie de wilde grazers nog,
volledig

onverstoord door ons,
terwijl we dampten
daar

en onze vruchten lieten.
Ik heb je liefgehad
en ben opnieuw ontstaan.

Ons laken
nat van zweet of dauw,
de daken blauw.

Er was een nacht
en vrijgevochten lucht.
Hier vond ik

mijn geboorte terug.

– Malon

26 juli 2020

BOOMLOOS BOS.

Het eerste bos dat ik ooit zag,
dat was
de paars bloeiende heide.

Het was geen echt bos vol met bomen, maar
ik was klein
en zij de torens

boven mij.
Ik weet nog dat het golfde en me toelachte.
Haar stuiven

licht
over mijn haren lag en mist zich
als een sluier

lang
over het zandpad
spreidde. Ik,

schreiend bijna, had gedroomd die nacht
van kathedralen
blinkend zilver,

goud en
glimmende beelden,
maar hier stond geen kerk, kapel of

koepel, zelfs geen
bijbel was er
om te lezen,

slechts nieuw geloof onder een open hemel.
Ik,
voeten

in de aarde
en in alles
eromheen.

– Malon

26 juli 2020

DE VORSTIN VAN JANUARI.

De herfstwind blaast zich schraal en kaal
waait zich
de winter. Dit

is het zware tillen
van hetgeen er
niet meer is.

Zie je haar bleke wangen
lichter worden.
De vorstin van

kou en stilte. Zij draagt
de schutkleur
van het sneeuwen nog

hoog op haar jukbeen: blozen in
gebroken wit en
licht

blauw op haar lippen. Trek maar eens
zacht
aan haar gezicht.

Ze zal het afleggen,
is de waanzin
lang voorbij.

Onder haar flinterdunne huid
neemt deze nacht
weer steeds meer ruimte in.

Die rotverdomde onschuld,
het toedekken
van al wat onder ijs is

en dat
waar ze zo
vroeg of laat

mee te maken kreeg.

– Malon

03 juli 2020

SPITSE TEPELS.

Er is een warmte die blijft hangen
als een hand
op een wang en een

hoofd dat heft.
Hier
maken wij de wetten. Je bent lang

zo rank niet
als je denkt, je bent nog veel, veel
transparanter.

We wachten tot de duisternis zich
neerlegt
in de nacht.

Zullen wij verdwenenen zijn of het
verdwijnen zelf, gat
in de nacht

geworden of toch dan
de gevallenen.
Trek maar de randen van je af en

al je kleren uit.
Ik wacht. De maan maakt
alles zacht en week,

ons lichaam
helder, wit van zee
met

borsten opgericht en licht en bleek en
nat
van

sterrenregen.

– Malon

01 juli 2020

NIET MEER OVEREIND.

Het kind
dat in jouw buik ontwaakte
is

in mij
ingeslapen. Ik ben haar kwijt
en ik heb tijd

nodig
om nieuwe benen te bouwen
die me rechtop houden.

Ooit was ik vrouw
en wist ik
waar ik heen zou gaan,

maar nu verbrand ik hooi
en laat geen vocht meer
aan mijn land.

Wat moet het donker zijn geweest
toen ik daar wakker werd
en koud

toen ik je
legde
in je aarde.

Ik heb het zand nog aangedrukt. Bloemen
heb ik nooit gebracht.
Die laten slechts

beloftes na,
alsof ze
ooit weer

op zouden kunnen staan.

– Malon

01 juli 2020

DE DAUW OP HAAR WERVELS.

“Neem maar de appel uit mijn boom”
zegt zij, “en pluk
mijn last. Neem

al wat ik gedragen heb. Het trekt
mijn takken
slap. Drink

van mijn sap en was me. Ik wankel
in mijn voeten
en hang scheef. Ik

kan niet langer.”
Zo ligt het zware wegen
van de vruchten,

zij,
kaal en krachteloos.
Het gewicht van de zwaarmoedigheid

verzwakt haar en zij
smeekt: “Lik alsjeblieft
de dauw die

parelt op mijn rug
en laat mijn vol blad
druppen.

Ik vraag slechts rust,
luchthartig,
licht, dat

mijn oogst vallen kan en
boven mijn gebroken stam
elke

vermoeide ster
de
schemer

nacht
mag
ontvluchten.”

– Malon

01 juli 2020

NOG NETJES IN DE DOOS.

Buiten je eigen sluimer komen en uit het
sneuvelen is
echt

precies zoiets als
plukken aan je huid en
zwerven

door je huis met
mensen aan de muren,
hun ogen dichtgeplakt en sommigen nog

ingepakt.
Dit zijn de schilderijen met de holle kassen.
Je weet niet

wat er achter zit
en je bent bang. Ze hangen al
zo lang daar. Soms

kijk je even achterom
of je
misschien gevolgd wordt

als je de lange gang door loopt.
Dit huis
met vele woningen.

Je bent er één van,
hebt je
nagels al gebroken en het

eerste
stukje
tape gevonden. Je

pulkt en peutert, trekt het los en
overweegt om het karton te scheuren,
die mensen

van de wand te rukken
en dan
ontdekken

dat er achter het behang
niets is dan lijm
en

lucht.

– Malon

01 juli 2020

WEK MIJN WEI.

Alsof ik elke druppel
regen vallen voel, zo langzaam
gaat de dag

en dat al
jarenlang.
Waarom zou het

anders zijn. Ik zie het plein
waar ik op dansen wilde
met jou losjes

in mijn armen.
Het dakraam om te kijken
naar de Japanse hulst die

knelt van kiemen, rode
bessen in haar
rug.

Op de veranda zit ik, droog ik,
haren in een doek
met

lengend licht en
wacht je wording af.
Ooit komt de prille bloesem

en de afstand
dichterbij. “Wek mijn bloem”,
zeg ik de heide.

“Mijn wei wil van haar
groen
bevallen.”

– Malon