15 januari 2020

DIE SCHEUREN IN JE STEM.

Dan zitten er gaten in je keel
en je ogen hangen
in hun staren stil.

Je duwt het weg,
legt snel je lepel, vork, mes, broodmes en
servetje

naast je neer, dan
is het er
niet meer.

Je bent eraan gewend geraakt,
merk ik,
dat je nooit geleerd hebt

voor jezelf
te leven,
wilt steeds maar mensen om je heen,

omhelst ze
om hun vastigheid te voelen
en je in jou

te doen
geloven.
Maar wat blijft over, dan, als ooit

niemand naast of
boven je staat,
als al het licht straks van de aarde af valt,

de zon haar
schaduwen slaat
in de volle grond.

Besta je dan
nog,
waar het land droogt,

je de boot hoort schrapen
over houten bodems,
je je beseft dat zij het antwoord hebben

op de vragen
die je stelt,
maar wel pas als ze weg zijn

en het je niet meer
kunnen
vertellen.

– Malon

14 januari 2020

SMEKEN TOT OP ZEKERE HOOGTE.

Oh ja, daar. Ja, ga
nog maar een beetje dieper.
Zo heb ik het het liefst

net niet
kieper ik.
Zolang gevaar niet te dichtbij komt

is het
aangenaam plezierig.
Ik vond het diepste van genot

ergens
tussen botsplinters en vervlogen
vlinders.

Daar waar het wringt.
De dood mijn
tenen likt.

Ik kus het liefst de mond
die uit het dichtste donker komt.
Misschien raak ik haar

net niet,
misschien
nog minder. Misschien.

iets. Kriebels.
Ik zit in buslijn vier naar huis en
dwarrel door mijn haar.

Ik denk aan
hoe jij me bijna dood liet gaan
en hoor mezelf

door te harde muziek heen stamelen
van:
“dank je”.

– Malon

13 januari 2020

VRIJEN MET EEN VREEMDELING.

Om me heen zie ik de mensen
uit hun lege dromen komen,
ze voegen

aan de wereld
niets meer toe.
Het lijkt of ze de vreugde proeven

van een mens dat
onontdekt blijft,
hoe dat het leven lucht geeft

juist op het moment van vrezen om
onnoemelijk
te zijn.

We willen best wel horen
wat we niet graag
willen weten,

maar dan wel vrijen in de schemering
zonder naam en met een
vreemdeling.

Niet alles
hoeft
hardop gezegd. Immers

welk onderscheid maakt jou mijn vijand
als we het liefste slapen naast
de onbekende wezens

blind voor
elk verschil dat ons nog afremt om echt
lief te kunnen

hebben.
Soms lijden we zo onder ons, dan
weten we

geen kind te zijn en dat jij
niet mijn moeder bent die
open of gesloten

ogen
mijn bedekt gezicht
kan lezen.

Maar leer me dan geheim te zijn
en jij, voor even,
streel

door mijn vergeten haar, aai
het verhaal dat ik je
niet verteld heb.

Weet niet wat ik
verzwegen heb. Laat mij gewichtloos
in je armen

liggen. Zoen deze
anonieme tepels. Betreed mijn schemer.
Vrij mijn

onbereisde lijf
tegen je aan en dan –
betreed het.

Neem dat wat niemand in bezit heeft
tot je. Schreeuw mijn
onbekende naam.

Laat me
voor altijd zo vergeten zijn.
Kus het gebrek onder de dekens

dat in het
donker liggen bleef,
want in het donker is geen oordeel. In het

donker zijn we
even mooi.
Kom, liefkoos

blind en onbeperkt,
vergeef me zonder dat je weet wat ik
hiervoor heb

fout
gedaan.
Vergeet de voorwaarde,

de hindernis, de struikelsteen,
de reden
niet van mij te houden

omdat je iets hebt leren kennen
waar je niet goed
mee kunt

leven.

– Malon

12 januari 2020

VANUIT DE HEMEL IS ALLES KLEIN.

Het is te subtiel om het te zien,
maar de engelen
verliezen hoogte.

Ze kijken
onder vleugels door
en zoeken steun bij de gewone mensen.

“Onze luchten zijn van lood.
Er zit een ander
op de wolken.

Help ons toch.
Het is te groot.
Hij heeft de toegang tot onze hemel ontnomen.”

Vanaf de grond zie ik hoe God
zichzelf op zijn rug
probeert te dragen.

Ik zie hoe engelen
om genade vragen. De nimbus
afleggen,

gezamenlijk,
en bidden tot elkaar met frêle,
dichtgeslagen veren.

“De poort is dicht, wij durven niks,
niet eens de
sleutel

in het slot te draaien. Elke
handpalm
is een kooi

voor dat wat past en
klein
genoeg is.”

– Malon

11 januari 2020

ELKE GRASSPRIET EEN EIGEN DOOP.

Er was een korter pad naar huis,
maar de keuze had haar
al gekozen

voor ze besloot
naar de heuvels te trekken.
Het was de eenzame voet

die ze volgde. De kam was steil
en de glooiende helling
leerde haar zich

omhoog te bewegen
als een strenge leermeester en een goede vriend,
de beste misschien

die ze ooit zou ontmoeten.
Eenmaal op de top geklommen
stroopte ze haar

mouwen op,
nam er een kwast in haar
kleine hand en

klemde haar vingers er innig om vast.
Er was gele verf,
ze zocht de zon,

schilderde haar buik
en doopte elke grasspriet
die er stond.

Ze zong voor
ieder blad een liedje.
Elke struik kreeg een eigen stem,

ze gaf de
planten
nieuwe tongen en

bracht ieder takje dat ze vond op de grond
weer terug naar de boom
waar het vanaf was gebroken.

En toen, toen alle orde weer hersteld was
en alle zaadjes
op hun plek,

voelde ze plots hoe graag ze wilde
dat haar vader
bij haar

op die berg kwam zitten.
Geklitte handen.
Samen niks.

Even in zijn
evenwicht.
Ze was van huis gegaan

om uit verschillende monden
de stilte te horen
van zijn verloren naam.

Ineens
brak licht
op haar schouders door

en
was hij
daar.

– Malon

10 januari 2020

DE VIERVOETER.

Ze wist niet in wiens schaduw
ze opnieuw
het licht zou zien.

In welke schim
werd ze
geboren.

Liefst had ze dit nooit ondervonden,
maar ze kreeg het antwoord
toch.

Het was de zwarte mist
waarin ze sliep
en de dode

in de kribbe. Iets zou als
trouwe hond aan haar hielen liggen,
vies en dampend.

Ze werd
dat wat sindsdien altijd
vriend zou blijven

van haar vijandelijke lichaam.
Er waren vissen
en een

zoutkorst.
Dit was de nanacht.
En de nanacht is een nacht

waar alles, álles
anders is. Waar alles
onherroepelijk

zó niet meer hetzelfde is
dat zelfs haar eigen naam vraagt
wie ze ooit

geweest had
kunnen
zijn

geworden,

als.

– Malon

09 januari 2020

SPAART U MIJ OOK, GAARNE.

Ze staan er weer hoor,
voor de hekken,
gretig schuimbekkend te wachten

tot ik met tassen vol boodschappen
die drukke supermarkt
weer uitstap.

En dan. Een kans. Een vrije hand.
Ze happen toe. Een fijne melktand
bijt zich vast, zelfs

volwassen mannen dringen voor
in lange rijen
aan de kassa.

Ga aan de kant! Laat mij erdoor!
Voetbal is geen spel, maar
oorlog.

Het goud dat ik gewonnen heb
brandt een gat
in mijn achterzak.

Ze kwijlen, druipen, watertanden,
trappelen
achter de rasters.

Die moeten het gedrang beperken
van massa’s hongerige kinderen
die

voetbalplaatjes
willen bemachtigen.
Hebben, hebben, hebben, hebben.

Ja, het is weer eens zover. De
eredivisie
van het Nederlands elftal

en de actie van de Albert Heijn
om elke kaart
bij elkaar te

schnabbelen.
Spaar de held van het moment!
Al het talent van het voetbalveld!

Scoren doen we allemaal!
Liefst houd ik me hier verre van. Ach,
al die

ordinaire hebzucht.
Ga toch weg met je gejank, die
grijpgrage,

inhalige vingers,
val een ander ermee lastig,
ik wil je krijsende kind niet

in mijn winkelkar.”
“Heb je honderdtwintig al?”
“Ja, wel drie, maar je mag ze

niet.”
Ach ja, ik zeg dit nou wel flink
maar als zo’n kind begint te snikken,

tranen
over die wangetjes biggelen
trek ik een sprintje terug naar binnen om

gauw van de Streek voor
van de Beek
te wisselen.

– Malon

08 januari 2020

OVER DE KLANK VAN EEN VOORGAANDE VOETSTAP.

Ze neemt haar blote voeten
en stapt ze
in gesloten schoenen. Er is geen pad

onder
de toekomst door
waar niet de splinters liggen, nog,

van vroeger. En ze is boos.
Het kind is boos
dat ze de

klank van wandelaars blijft horen
die midden in de loop van tijd
haar eind

al vond.
Het kind stierf uit
voor ze er in

geboren
worden
kon.

Elke knisper belichaamt een wonde. Elke
kreuk
een brokkel

van wat jong had moeten zijn.
Maar ze was oud lang
voor haar

tijd begon.
Het kind is klein, zo klein dat
ze haar veters nog niet

strikken kan.
Het erfgoed mijnenveld en
mijlenver van

het
naar-voren, maar zij moet door.
Ze moet de horizon trotseren,

de scherpe sporen
uit de verte halen,
die

nalatenschap van het verleden
op haar
infantiele

schouders dragen. Maar ze wil spelen.
Naakte tenen.
Ze wil de scherven over

slaan,
huid op huid, gewoon
contact maken met moeder

aarde,
zonder eerst te hoeven leren
hoe ze haar vetertjes

vast moet maken.

– Malon

07 januari 2020

HOE KOM IK IN JE HEMELLICHAAM.

Kan iemand mij vertellen
waar de ster terecht komt
als ze de

hemel loslaat.
Waar op de grond
kan ik haar vinden.

Ik denk dat er een plek bestaat
waar ze naartoe gaat
als ze sterft,

tussen de eenzame hartslag van het ene
moment
en de hartslag

van het volgende
in. Het ligt
ver buiten de mensen,

ergens naast de borstkas, tikkend
tegen de rand.
Een plaats die niemand

polsen kan.
Ik heb de ruimte willen verkennen,
lag in het

bad.
Mijn haar leek donkerder
toen het

nat was.
Ik zag haar gaan,
ze hield haar adem in

toen ze mijn lucht verliet. Ik voelde
hoe ze bezit van me nam.
Ik zag een veer

naar de bodem zakken.
Het leek
of ik niet meer bestond, precies als

elke kern van jou die ik
zocht
in haar

lichaam.

– Malon

06 januari 2020

AUSTRALIË.

Soms is warmte
veel te warm, maar
zie je hoe de zon

een stralend kind probeert te vangen,
zie je haar
lange armen

naar de afgrond reiken.
Kijk dan.
Geduldig

wacht ze dat gezichtje af.
Wacht
totdat een sproet ontstaat,

daarna
de tweede, derde, vierde,
alle

andere
oranje
stippen.

Wat is het warm, wat is het licht.
Wat is ze vurig,
prachtig.

Maar zie je ook
de brand. Zie je haar
lange armen naar de hemel reiken.

Er is toch niemand bij die dacht:
dit kind kan
dikke lucht voorspellen,

maar wie bekeert dan toch de wind,
doseert haar
hitte.

Een vlam heiligt de dode larve
gevangen
in haar verharde vel.

Kijk dan.
Kaarsvet.
Een snoetje smelt, het

zegt alleen nog maar vaarwel,
graait in het zand
met eelt

op twee
verbrande
wangen.

– Malon