01 november 2020

Mijn gedicht “Sloddervos”, op mp3, met een eigen compositie erachter.

28 oktober 2020

-SOP, -SCHUIM EN ZEEBELLEN.

Zo liet ik mij van winden waaien
en jij stortte je neer in wit daar,

wiegend


op de golf –
“Weet je nog van toen wij stierven
en hoe dat helemaal niets hielp?”


De weg liep dood, maar ondanks dat
trok onze stroom nog steeds haar spoor

en wij, wij vliegen


hier wel vaker zo een uur of wat bij Katwijk,
zoeken krabben in het schuim en spelen
zeemeermin en kapiteintje, lijden


schipbreuk op de vloedlijn,
zetten er 
ons leven voort.

Twee meeuwen. Geen betekenis.

Een nest zonder adres en een zee
die ons beweegt;
ze geeft ons richting.

En altijd 

waren wij maar onderweg,
al ging niemand
ook maar ergens heen.



– Malon

27 oktober 2020

EVE GITMEME IZIN VER.

Ik herinner me de zure hitte
en het dichtklikken
van sloten

en hoe ik weg zink
in die stoffen stoel, probeer mijn hoofd
goed

vast te houden.
En ik weet nog
dat het van mijn nek af viel.

Ik liet het vallen in een stilte.
Al het stille
dat ik kon verzamelen

tot het mijn moedertaal geworden was
en bleef haar
eindeloos herhalen.

Ik heb me honderd manieren voor de geest gehaald
waarop ik open deuren was
die hij maar straffeloos

binnen kon gaan,
hoe ik de inventaris op zou maken
van mijn lichaam.

Mijn haar was niet langer
van mij. Mijn huid niet, noch mijn nagels. Niet mijn
benen, niet mijn

lippen of mijn oren,
niet mijn borsten of mijn buik
en niet mijn vagina,

niet iets
zou ooit mijn eigendom meer zijn, zelfs niet
mijn adem

of mijn eigen
waarde.
Stoot maar en ga je gang.

Ik ben te bang de ochtend niet te halen
en ik schraap mezelf wel van de bodem
als het niet zover zal komen.

Ik zal wel eeuwig slapen
in de vreemde lades
van een vreemde kamer van een vreemde stad

en ik zal
nooit
je naam verraden,

maar Ridouan,
eve gitmeme izin ver.
Laat me naar huis gaan,

snijd me uit die gordel,
breng me terug daar waar ik hoor, mijn vader
zal wel ongerust zijn

nu ik veel te laat weer aan de voordeur sta.
Ik moet echt terugkeren
naar mamma

en ik beloof je, na vandaag –
Voortaan
ga ik alle mensen

waarvan de aanraking slechts teder is
van me af slaan, ik zal
afstand bewaren,

ik zal de zachtste hand verlaten
en de schaamte
om mij heen draperen.

Ik zal zo zijn zoals het witte laken
dat ik in mijn
witte vuist bewaarde.

Ik zal het witte laken,
ik zal het laken,
wit

laken
nóóit meer loslaten om me
om een ander

heen te slaan.

– Malon

23 oktober 2020

SLODDERVOS.

Al weken woonden we ergens
tussen de borden en de bekers
van onze

gootsteen,
een beetje als vlekken
die niet van hun plek wilden komen,

schoonmaak
die gedaan moest worden,
maar waar ons hoofd niet echt naar stond.

We waren ets verloren
en misschien
hadden we beter een pelgrimstocht kunnen maken,

maar dat was niet wat we deden,
tot op
een dag –

We hadden de kommetjes geordend in de kasten,
de toespraak
en de bloemen

op de achterbank gelegd en
alle afwas droog en netjes
opgeborgen.

Er was iets van applaus onder water,
net
voordat we vertrokken.

De weg voor ons
had zijn witte strepen uitgestrekt. Soms
kwamen we een vos tegen die werd

geplet
onder een autoband
of een eekhoorn,

de pootjes gespreid,
een beetje zoals Jezus
en we reden gewoon door.

Jij,
die een raampje opende en ik
die het weer dicht

deed.

– Malon

23 oktober 2020

HEIN, HET MAGER MEISJESKIND.

Naast haar het witte vlak
zoals zij is, de tint
verloren

in het licht.
Haar wit ligt op het keukenblad,
viel door het raam. Binnen

zit de oude dame met haar pop,
kind
met een hamer.

De nek met dertig kragen
kraakt op de grond
een oog rolt

weg,
naar boven starend.
Hals over kop bedenkt de dame zich dat

alles wat werd aangeleerd
niet zomaar
afgeleerd kan worden.

Er is een voet die draait
voor de dans in de schemering,
er is een rib

waaraan een mes zich slijpt.
Er is een lijk met honderd zestig namen.
Een schaduw schuilt

onder het altaar –
Huilt
om haar afwezigheid.

Was zij verminkt al voordat ze ontstond of
is ze zo
geworden.

Het kind
draagt daadkracht in haar vuistje,
Soms wijkt de dood

van zijn gedaante af –
Niemand
sluit zij uit.

– Malon

23 oktober 2020

SCHEER JE WEG, STER.

Veel te vaak nog voel ik die
versnellende hartslag in je onderbuik
kloppen

en hoor de maan
die krijst boven de zee,
dan wil ik

het donker zo donker dat het de sterren opslokt en samen
met hen

verzwolgen worden.
Ik wil vergeten.
Het is het enige.

Het enige dat werkt. Het enige
dat mij nog uit de nacht trekt is het zwarte
zelf. Zo.

Zo, onder een lege hemel
is geen verleden, hier ziet niemand
het decoratief kleed

dat ik ben,
omdat de neiging van een man dat
om mij legde.

Al wat nog mij met hem verbindt
is die
herinnering –

Maar wat nou als afwezigheid
geen betekenis kent
en de tijd

geen getuigenis,
wat als ik de ruimte om kon buigen
en de ster kon laten sterven.

Dan kon ik alles zomaar weg denken.
Ik kon hem
omleggen.

Misschien kan ik dan zelfs
nog eens uit die auto stappen voor we naar
weet-ik-veel-waarheen toe

gingen,
die laan door
met aan beide kanten hoge seringen

en herboren worden
als meisje
dat niet vermist werd.

Want elke keer,
na al die jaren,
dat ik weer contact opneem met mijn lichaam

is het zwart,
teer,
leeg en asfalt,

zoals de zijweg met de hoge seringen,
waarop ik terug liep in die zomer
op vieze,

blote voeten
en bloemen, kaarsen, liefde, zand
in mijn schoenen, maar ook

die onvrijwillige handen – Niets
nog iets weten wilde
van geschiedenis.

– Malon

23 oktober 2020

GOD, DE GUPPY’S EN DE GOLVEN.

Het kwam zichtbaar uit me groeien –
Die nieuwe,
moeilijke situatie

en sindsdien kan ik alleen nog maar naar
aquaria staren,
roeren

in een vissenkom
en langzaam,
heel erg langzaam

mijn eigen golven maken.
Ik fok vis.
Ik filter lucht.

Ik ben de ingenieur van de kom en vlucht
van alle ingewikkelde dingen
die buiten

mijn macht liggen. Ik
speel God
in deze kleine wereld.

Dit ligt binnen mijn invloedssfeer.
Hier beslis ik
en ik maak golven, eigenhandige

golven en soms,
als het tegenzit,
roer ik zo wild. Zo wild dat de vissen over de rand

flikkeren, op de tafel landen,
spartelen. Zie ik mijzelf er
worstelen,

trek ik de deur achter me dicht
en laat God God, de golven golven, de guppy’s guppy.

Ze wedijveren
over wie de sterkste is.
Een zinloos front

tegen de zee.

– Malon

23 oktober 2020

STROEVE LELIE.

Ja, mamma, ik weet het.
Ik was de wind die toevlucht zocht 
achter je rug, ik

heb je rand verkend
en ook
je binnenland.

Ik heb de parapluutjes op je hemd geteld
en het verdriet
eronder

en er is wederom
geen zon te zien
vanochtend.

Was er nog maar zoiets als
brood dat in de velden lag,
een cracker

waar jij om wou vechten,
maar mammameeuw
je slaapt al eeuwen.

Hoe ben je zo gewend geraakt
aan het verliezen
en de kou.

Terwijl de vogels rustig overvliegen
en eten voor het grijpen ligt
vouw jij je in

je bed, mamma,
wees alsjeblieft toch sterk,
dat je de ochtend overeind komt, als die zon

tegen het trekken
van de zwaartekracht
en niet blijft liggen.

Elke stap heb je voor mij gezet,
dat weet ik
en ook

wat je veel liever had gewild, mamma.
Dat je het liefst nog eeuwen
even

dieper in jezelf gewroet had en gegraven
en
geslapen,

maar ik wil je zo graag zien, weer, mamma,
wil je zien opstaan uit de aarde,
mamma.

Jij daar,
in jouw glooien.
Het open plooien

van jouw
stroeve
lelie.

– Malon

12 oktober 2020

KON IK MAAR BETER LIEGEN.

Pappa,
zeg me hoe ik door moet
als jij niet verder gaat,

waar
ligt nu weer de rest van later.
Ik haal de vuisten uit mijn handen

en zet er veel te kleine pasjes
met mijn veel te kleine
stapjes.

Nee, pappa,
ik wil niet daarheen.
Ik word er wakker voor de nacht aanbreekt, dan

zoek ik jou,
maar het is licht in deze stad. Altijd maar akelig
brandende

neon
lampen.
Ik zoek je lichaam op de tast,

maar ik geloof niet pap, ach,
kon ik maar –
Kon ik maar liegen en mezelf bedriegen

in een illusie leven
ver van hier.
Wat was ik graag die kat die

in het licht van een portiek,
een lief café,
een kleine steeg

of het gebied onder de straatlantaarns
zijn eigen schaduw op de muur
vier keer zo groot

als zichzelf ziet staan.
Wat had ik graag geloofd in fakirs,
monniken

en kale priesters,
Hare Krishna’s met oranje gewaden, die
geitenwollen-sokken-dragers

in veel te ruime,
houten
sandalen

en kruidendokters
wierook,
vaders

die in de hemel zijn.
Och, pappa
werd jij maar waankomeet,

je uitgestrekte armen strepen,
vallend door de ozonlaag,
dat ik je

uit de nacht kon halen,
gouden staart
en dat je bij het sterven fonkelt,

steeds helderder wordt
als je me
nadert.

– Malon

12 oktober 2020

HOOFDPIJN.

Pap, als je
straks
mijn stem niet meer herkent, zal ik

vanbinnen
je oor bedekken.
Ik zal mijn hand op de hinder leggen, het ruisen

dempen.
Je hoeft vandaag niet aan je hoofd te denken,
doe maar net

of het niet werkt.
Je hebt zo lang al deze druk verdragen,
de zwelling

in je hersenen
en als je vannacht weer dat hoofd verlaat
en opstaat

in de morgen,
zonder verder, zonder
vragen,

zonder zonder zonder
zorgen,
laat mij je sloffen voor je op de grond zetten

en een
kop koffie.
Pap.

Al deze onbegrepen klanken.
Laat mij ze temperen
en zalven,

laat mij het warmtecompres zijn in je nek.
Ik trek me terug
in je zwarte

vlekken.
Je mag zo weg zijn als je bent,
verdwenen

in je witte geest, want
ik woon elders, pappa, elders.
Elders

in je verdunde schedel
waar ik weiger
vergeten

te worden.

– Malon