27 maart 2021

MAN IN MIJN HAAR.

Zo vaak al droomde ik die droom:
ik heb er geen geheugen,
mijn lichaam loopt er

bloot,
gerooid,
zoals dat korenveld na de oogst of het bos

dat jij in brand hebt gestoken
door haar verdroogde
land.

Soms zie ik nog het beeld
van voor het laatste stukje dons.
Ik scheerde het zelf af, ooit,

schoon
tot aan de schedel, maar nonchalant,
met een bot mes

uit een van de kastjes boven de wasbak.
Te lang verstoken was ik
van de handen van een man

in mijn haar,
of wat er over was,
maar nu –

Ik sleep een dikke vlecht
als een stug touw door de stad
en sla er mensen mee.

Ik ben niet bang.
Achter het gras tussen de tegels
ligt de schaduw

aan mijn voeten
en ik heb lokken
die troosten

zoals alleen een vijand dat kan.

– Malon

31 januari 2021

VEESTAPELS.

Nee. Ons
zouden ze niet meenemen.
Ons niet.

Ze namen alleen degenen
die bukten
voor de anderen. Ons

namen ze niet mee.
Ons
niet.

Ik lag in bed. Ik hield mijn
handen
tussen mijn dijen geklemd,

het warmste plekje
van mijn lijf,
de kaak gespannen – blauwe wangen.

Zo had mijn opa het gezegd. Hij had me net
in slaap gelogen.
Ons niet, had hij beloofd, ons niet.

Ik had de woorden willen oppakken
en drogen
in een boek.

Ik viel in slaap. In mijn nieuwste droom waren we paarden.
Wij sliepen staand. Nooit
gingen wij gebogen.

“Ik heb de oorlog meegemaakt”,
zei hij, “er de boeken
op nagelezen.

Ze halen alleen degenen
met zwakke knieën
en leden die neergaan op heidens gebied

waar stil het verkeerde gebed wordt gebeden.
Ons niet, mijn liefste kind,
ons niet.”

Die nacht werd onze deur gebroken.
Mijn oma
tegen de grond geslagen,

mijn opa
in zijn nek geschoten.
Het paard

was dood.
Ik stond rechtop, benen
op slot. Mijn manen, somber,

langs mijn slapen.
“We hadden spoken moeten worden”,
dacht ik nog.

“We hadden God
in onze geest
moeten verstoppen.”

– Malon

22 januari 2021

VERGEET NIET DAT WE MENSEN ZIJN.

Er werd gesneden in het vlees.
Toen pas
zag ik

het zachte teder.
Jij zei: “Vergeet niet dat we mensen zijn.
Als ons niet ooit was kwaad gedaan

had jij dat
hoogstwaarschijnlijk
nooit geweten.”

Er was een kant aan jou
die ik moest binnendringen,
toen plots de liefde over ging

in het
verstillen.
Ik schoof je broze huid opzij

in de hoop
je hart te vinden, zei:
“Wees niet bang, het bloedt maar licht.

Ik
doe je niet meer pijn
dan nodig.”

– Malon

22 januari 2021

DATALEK.

Het ligt allemaal op straat
en nee,
het ligt niet

aan de apparaten, nee, dit
is het
inwendig falen

van de mens.
De mens die blijkbaar niet bepaald
kan stilstaan bij de consequenties, niet bij

verstrekkende gevolgen
voor onze
kwetsbaren.

De risico’s voor militairen, voor
defensie-
werkers,

voor nota bene net degenen
die zich inzetten
om te beschermen.

Wie kent het eigen feilen nog en wie
verdedigt
slechts zichzelf?

Er is geen datalek, er zit een gat
in het hart,
leg het probleem eens dicht

tegen dat plekje
en plak het af.
Het zijn maar telkens die computers

die de schuld
wordt aangepraat, doch niet zichzelf
hebben gemaakt

of toch het
internet
dat niets kan zeggen – Ik praat nu

heel even voor hen, want de
techniek
kan het niet helpen.

Als je de kraan zelf open zet
ga je toch ook niet zeggen
dat ‘ie lekt?!

– Malon

20 januari 2021

ACHTER VENSTERS.

Hoe zou het zijn om in de lucht te liggen
zonder dak
of deur.

Zou dan de zon zich openen en zeggen: neem
je eigen
huidskleur aan en fluister

als je door de wolken loopt.
Ik doe mijn hooggesloten blouse
een knoopje

verder open, kijk:
dit is de vrouw waarin ik woon.
Ik heb niets anders

in mijn schoot
en om het lijf
dan jou.

Dit is hoe bleek ik ben, dit is
waar ik mijn zelf
verzonnen naam verberg

in het lichaam
dat ik leen.
Ik ben vergeten hoe ik heet.

Mijn hart drijft op jouw borst,
mijn lege nachtjapon
komt tot rust

op de
hete
tegels.

– Malon

09 januari 2021

JE GAF MIJN NAAM BETEKENIS.

Ik heb nooit echt gezocht
naar die geheime plek waar
water

druppels
opgaan
in elkaar, maar ik voel

stroming.
Mijn rok lijkt opgetild te worden
door een ander soort van wind en onder ijs

wacht stil mijn meer
tot zij weer golven mag
en rimpelen.

Wij praatten dagen met elkaar
tot onze lippen
warm waren,

jouw stem
vertaalde zelfs mijn naam en ik –
Ik kreeg betekenis.

Ik ben het vlies van mijn verlies verloren,
de laag
waarin mijn liefde lag.

Ik had het in de vorst verstopt.
Jouw adem,
als een nieuwe minnaar –

Jouw adem
blies mij
vloeibaar.

– Malon

07 januari 2021

WELKE PLAATS IN WELKE RUIMTE.

Het kind
ligt in snippers
van het kleedje in de kamer. Ik

probeer wanhopig ronde blokken door een vierkant
gat
te slaan

maar mijn handen
zijn
onbruikbaar.

Ik krom me
om mijn ruggengraat,
mijn hoofd heb ik uit de beek gehaald –

Er is geen tijd
om het te zien
vergaan.

Maar om nu zo te leven, in dit denken, land
zonder rand –
Er is teveel

dat thuis hoort
in de gekte.
Ik stap naar voren op de brug

en slinger vingers over grenzen,
speel nachtenlang scrabble
met mezelf

en hussel
letters.
Mijn handen landen in de lucht,

ik spel jouw naam,
kindje,
waar ben je.

Pak me vast
in het onbekende.
Ik wil je terug naar huis toe brengen.

– Malon

06 januari 2021

DONNA.

Er hoeft niets over gezegd. Niet
of het iemand
wel of niet uitmaakt

dat ik me achter mijn bureautje opvouw
in zelf
medelijden,

boosheid, onbegrip, verdriet
en vergeefs mijn hart probeer terug te leggen
in het midden,

maar ik vertel wel dit:
dit
is het moment dat ik het leven in twijfel trek.

Het verzakken van de grond, het verdwijnen
van de horizon
waar ik me altijd tegen afzet, dat zelfs

jouw dode kind
niets kan
ophelderen

over het gezag van God
en of diezelfde
“God”

ook in de hemel geen gezicht heeft
of zelfs vaste
vorm.

– Malon

5 januari 2021

RECHTE RUG EN HOOFD OMHOOG.

Vertel het
aan het stof
van je overleden dromen, aan het

iconisch beeld
van vaders, moeders
die nooit meer uit de oorlog komen.

Je had ook tekeningen willen maken
van huizen, bomen, vrolijke
families die

handen vast hielden, jij
met vleugels en de
regenboog

hoog, maar hoog – Hoog
was het vliegtuig, het
dak

dat naar beneden viel, de bomen
en de bommen
op de stad en

je herinnert je nog steeds hoe toen het licht
veranderde, alle
gewonden

langs de wanden en dat je moeder,
ondanks alles,
tòch

een lach op haar gezicht had
en je vader
die een huisje

bouwde
van zijn
handen.

– Malon
(n.a.v. S.O.S Enfants En Detresse)

5 januari 2021

HET WEESJE MET HET MEESJE.

Toen ze wakker werd
was ze geen meisje meer:
de benen stonden

stevig
onder het lijf.
Ze was veel sterker dan wij

tezamen,
altijd
in veel te kleine, grauwe kleren.

Ze was de eerste
in de zandbak
die oude sporen in de aarde zocht.

Haar dunne vinger
strekte zich
toen we de dode vogel zagen liggen.

Zij was degene
die haar draaide op haar kant
en aaide

over veren.
Zij wist zich te herinneren
hoe het was

iets kwijt te raken en
als wij dan onze hand uitstaken
zei ze: “Nee,

ze slaapt,
niet
wakker maken.”

– Malon
(n.a.v. S.O.S Enfants En Detresse)