01 mei 2020

ELKE SPETTER SPAT KAPOT.

Je kunt niet zomaar wakker worden
op een dag
en de rimpels die zij liep

in het water ongedaan maken.
Zelfs niet
ten oosten

van de rusteloze golf waarin zij krulde
en de verre kust
waarop zij schipbreuk leed.

Jij bent niet haar maan,
niet haar toren.
Niet de boei

waarop zij dobbert, zelfs niet
de dorst
die haar

verdronken heeft.
Zij werd op het strand geworpen
vanuit een koude

onderstroom. Zeewier
om haar kuiten en de branding
wreed. En nog steeds.

Nog steeds
kan niet ooit iemand echt
beslag nemen

op haar bewegen.
Niet toen ze van de gronden
opstond. Niet toen ze lippen

likte, wonden heelde,
strepen
streek

op haar gezicht. Niet
toen ze zeilen hees
op het witte zand,

tien duizend
kilometer van jouw hand. Dit
is haar land geworden.

Beweer niet
dat ze omkwam, dat die
vlaggen

er al waren
voor de storm
haar

bracht.

– Malon

30 april 2020

EEN OGENBLIK TUSSEN PUPILLEN.

Zo wandelden wij vaker
door de duinen. Het
helmgras hield het zand

onder ons samen, je kruin werd warm
en later was er
ruimte

onder je navel. Kom,
loop nog even mee, zei je dan,
gooi de boeien

terug het water in
en geef
het wachten aan de zee.

Mijn kleed zal even wit zijn als voorheen
en jij mag
rafels maken.

Draai krullen in mijn haar, ik zal
geduldig
alles nog eens uitleggen. Het was geen

opgeven,
dat niet,
nee,

het was overgave.
We moesten in elkaar verdwalen,
alles moest

kapot
tot elk klein
deeltje doodgaan in ons

verloren raakte.

– Malon

30 april 2020

DAN BREEKT DE BUNKER.

En steeds die warme schoot
waarin het zo zacht liggen was
en nog

als we maar
niet zo groot meer
zouden zijn, daar

landden we zo lichtjes.
En dat we als een kleine vogel
pitjes

uit
zijn hand aten,
geduldig en verwachtend.

Je droeg ons ver die dag, ging
op de fiets
naar de dierentuin, ik

op de stang,
en toen
de speelplaats.

Springtouwen, skippy-
jippy,
stuiterbal. We blijven lang

en mogen later nog
met onze vieze schoenen
over je banken springen.

Lava op de vloer
en
in de woonkamer bouwen we tenten

en een schip.
Ineens
hoor ik de stem van mijn vader

op een zee daar
in de verte
waaronder

ik mijn eigen kind werd. Er is niemand
om me heen, ik sta alleen
op een vieze bank.

Vingers
om een vlag en
knikkers

in mijn hand.

– Malon

29 april 2020

G(RRRR)OD.

Hoe kon ik jou toch in mijn handen houden,
zo godvergeten ver
lag daar je tuin

begraven.
Het was nog maar
een steenworp afstand, maar voelde

ver
als de maan die
op haar hoogste punt staat.

Ik wachtte aan je kuil
tot zij kapot viel op de straat
en

werd brullend
tegen de lakens wakker. Ik
zag mezelf

de schaduwen uit het behang
van onze slaapkamer
poetsen,

deed als vanzelf een stap
naar vroeger.
Terug naar toen

het niet zo gruwelijk
moeilijk was de
bloesem

in de kers te tellen
voordat ze
uitbloeide.

– Malon

29 april 2020

TEGOEDBON VOOR VERLOREN TIJD.

Hadden we maar tijd tegoed.
Dan was het wellicht makkelijk geweest
eroverheen

te spreken
en voorbij zien aan het jou en mij en triest
bewegen.

We liggen nu al tijden zo
en zwijgen
evenveel. Hier

meet ik de lengte op, ver
ver
over de einder.

Ik heb geleerd
te kijken in haar schemer,
precies daar

waar water breekt met zilte lucht
en werd gewaar:
langs deze lijn

gaan alle schepen.
Dit oeverloos voorbijgaan –
Niemand

valt eroverheen.
Ik knijp heel even in je hand en pak je
beet, ik

draai je
kin.
Dit is zo goed als alles

wat er is. Je
moet het eens proberen.
Één oor sluiten

en dan het andere op de aarde leggen.
Luister maar, zo
kun je horen wat bestond,

bestaat
en
komen gaat.

Alles drijft heen en weer, laat haar maar
op ons neerslaan en
bezinksel zijn.

Vlei naast haar en verstrijk er
aan haar zijde.
Het getij verglijdt,

zwelt aan.
De tijd.
Zij

zal ons bevrijden.

– Malon

29 april 2020

OP DE ZETEL: DE IN ZICHZELF ZITTENDE MENS.

Met in de stoel: de
in zichzelf zittende
ander.

Hoe simpel het niet is om
de glimlach te vervalsen
en te denken

in gevoel
in plaats van harde feiten
of de waarheid. Wij zoeken

sporen
in de groeven
van het water, maar

altijd laat.
Wanneer de sneeuw al is gesmolten
kijken wij ernaar.

Zo gaat het vaak.
Wij golven
golven op elkaar

en golven
gaan en komen wel,
maar laten niet veel achter.

De bank is leeg,
het zand spoelt vlak,
alsof er niet ooit

iemand
anders
was.

– Malon

29 april 2020

VERZWOLGEN ZEE.

“Is dit dan wel de juiste zee,
het goede tij”,
vraag jij.

De zee die altijd heeft gedreven,
maar in zichzelf
verzonken is,

alsof ze zeggen wilde: kind,
ga heen en
keer niet weder.

Ik draag misschien de schepen,
maar
in mij zijn meer doden verdwenen

dan jij op een hand
tellen kunt. Dus
neem je schelp mee,

berg je
in het kalksteen, maar geef
die zware parel

in je rug
terug
aan de kust

en wees dan leeg, bloot,
zacht roze, loze, lichte
schulp en

onbewoond, kind en
kleef.
Kleef aan de korrels, kleef

aan de klonters,
kleef aan de bruisende, schuimende
mond van de zee, kind,

kleef
aan haar speeksel,
maar kom schoon

tot mijn rand.
Dit is je enige kans.
Laat je droge huis achter in het zand

en zweef.
Ik ben een graf, kind, laat je kist
dicht en

alles
achter
wat je verzwaren kan.

– Malon

28 april 2020

GEESTEN BOVEN DE LANDERIJEN.

Alleen daar
wordt met God gevochten;
eeuwig de verkeerde plaats

op het verkeerd moment
en altijd
ongelegen.

Hebben wij genoeg gestreden.
Niemand
weet meer zeker

of wij wel mee hadden kunnen gaan
naar een
of ander

leven
buiten dit.
Nergens stond het aangegeven.

Nergens
zag ik een bord dat zei: links
is beter. Nergens tekens.

Zo heeft het toch niet moeten zijn.
Dat de spoken in ons hoofd
hun vlucht nemen en

uitstijgen
boven hun eigen wit en
buiten jouw

en mijn wil stevig worden,
vaste grond
onder hun zweven.

Ik dacht dat ik de mist zag liggen
laag en dicht
boven het weiland,

maar het waren geesten,
duizend geesten waar ik stond.
Ik zag ze bidden.

Duizenden
die aan de aarde
kleefden. De aarde,

rul en korrelig,
of ze loskwam
van haar

wortels.

– Malon

28 april 2020

WANDELEND STAAFDIAGRAM.

Uit de lijn van de grafieken
teken ik
een droef gezicht.

Zijn wij niet meer dan
numeriek
verdwaalden

in de statistieken.
Als ik mijn potlood heb geslepen
zie ik de schil

van haar geheel
en hoe ik steeds een stukje af snijd
van wat zij ooit geweest is.

We zijn geen stip of streep of staaf, toch,
of een
gemiddelde, niet

ongeveer of
honderd procent
zeker.

Wij zijn veel meer dan meting
en soms. Soms
is het goed te weten

dat je misschien wel de enige,
unieke enige
op de hele wereld bent die

graag patatjes eet met Chinese stokjes
en dan nog steeds evenveel mens bent
als iedereen,

hoewel je
wel best ver buiten de lijnen leeft van het gemiddelde van de

meesten.

– Malon

24 april 2020

OPEN VROUW.

Van je vingers om mijn middel
rest alleen de
hitte, jij bent mijn

midden
in de wereld. Eeuwig kind,
wat lijken wij op bloemen.

Ik heb je door je knop zien stoeien. Uit de
barsten
van het meisje stapte

voor het eerst
een vrouw.
Ik zag haar openvouwen, armen wijd,

een kiem
onder de hemel. Moeder,
wij waren bloot en vredig.

De nachtvorst was nog nooit zo koud,
maar
aan de appelbomen

bloeide bloesem,
zedig wit
onder het blauw.

Ik wist alleen nog hoe ik van je hield en
dat ik hurken wilde.
Hurken

aan je rank en dan vergroeien
met je
steel.

Ik heb je heel dicht op de huid bekeken,
levensecht,
natuurgetrouw.

Je was zo gaaf en zo volledig.
Toen heb ik het ontstaan gezien
met net die andere

twee ogen.
Open vrouw,
geef mij opnieuw het vlees waaruit dit

lichaam is geboren
en laat je stem
door water zingen.

Mijn oor
zal open vallen. Vloei
onder mijn handen

en word warm, week los, dan –
Spat uiteen.
Laat mij je naakte roze schelp.

Het bed waar ik je baar is breed,
welke jurk ik ook draag en
wat je wensen

daaronder
ook zijn.

– Malon