2 december 2019

IN EEN WAND ZONDER RAND.

In de hoeken van een wereld
zonder zijden
zit een meisje.

Het kind is nog maar kind
en het
verstopt zich.

In dit papieren koninkrijk
verzakken huizen onder nattigheid.
Het is een kind

van dit moment
dat naar haar eigen adem grijpt
en de

vervuilde lucht moet eten
die na haar voorgangers
gebleven is.

Het kleine ding duwt naarstig
vierkante blokken
door ronde gaten

en spaart haar
zuurstof in een glazen pot
voor later.

Ach ja, wat is ze dan.
Een hoopje mens, niet meer dan dat.
Hurkend onder

ozonlagen,
zure regen,
zware straling

en de erfenis die op haar
wervels valt.
Knieën

in haar handen.

– Malon

2 december 2019

ZEGEN MET EEN N.

Ik schat ruw in hoeveel van ons
vermist zal worden
na de zonde

en duw je zacht tegen de wand.
Er ligt een kijkgat
in je lijf.

Ik heb het niet ontworpen,
maar zie je
oorsprong.

Er is een soort balans dat ik
kan vinden
in je middenrif.

Je tilt me op,
komt langs mijn kuit omhoog en
stopt

dan
weer.å
Je vraagt:

“Ben ik de man
om mee op weg te gaan?
Weet je dit zeker? Mag ik

doorgaan?”
Ik heb nog niet geknikt. Ik
schik je das voordat hij

naar de grond gaat. Laat mijn
schaarse kleding
aan en vraag:

“Wat gebeurt er
als ik je toesta?
Aanvaard je de kans

dat ik me
brand?”
En jij:

“Je zult binnenstebuiten keren,
met je organen
naakt

op straat. Je zult
een doelwit zijn voor
kwaadgezinden. Het zal gevaarlijk zijn en

jij, zo kwetsbaar.
Ik zal iets zaaien
dat veel dieper gaat. Er zal een

zwelling zijn, maar schat,
dat moet je
zelf ervaren.

Voel de
hitte
maar.”

Ik bid voordat ik voor je
door mijn knieën ga en
tril.

Ik fluister: “Kom maar”
in je linker
long

en laat je binnen.

– Malon

1 december 2019

CHOCOMEL (DE ENIGE ECHTE).

Deze handen zijn tot nu
op niemand
dan op jou gelegd.

Je bent de
eerste,
enige,

echte.
Ik wil je zo graag leren kennen
voor ik me

bedenken kan.
Ik wil geen gêne. Nergens
remming.

Elke kneuzing, kwetsing,
wonde
wil ik

openrijten en
erkennen.
Ik wil dat jij

jij bent en
on
bedekt.

Als ik je naakte huid bekijk
schuif jij je handen
voor je buik

om daar je navel
te verbergen.
Je vrome wangen staan in brand.

Ik zeg:
“Wees maar verlegen, dan.
Hier mag het.

Iedereen
herkent
de streng.

Het is het mooiste
schaamrood dat we hebben en
wat mij betreft

het eerste,
enige,
echte

litteken
waarvoor wij
in dit bed

nog blozen.”

– Malon

30 november 2019

HIJ LIGT NOG TE ZWAAR OP DE MAAG.

Er is een tempel zonder altaar
dat nog steeds
haar resten delft.

Ik rijpte
later
dan de rest, liet haar

onaangewend.
Is er een liefde
die de nagalm kent

van een geheime pijn
die niemand nadert.
Is er een

heilig nest dat mij niet
afwendt. Is er een
later.

Je hoort de voetstap van een man
die daar mijn
weigerende

lijf
verkende. Man die ik niet
toegestaan heb.

Man
die mij
ontkende.

Nog steeds weerklinkt de echo
van een
onbegrensde nacht.

Ik heb
geen vat. Zijn macht
ligt daar.

Op elke weerklank in mijn lege maag
heeft hij zich
toegelegd.

– Malon

29 november 2019

KUSGEVECHT.

Er is een blote schoot
die sneller ademt. Je hebt
mijn lies gekust

toen het
verdriet
nog in mijn klieren zat.

Ik heb me altijd wijs gemaakt dat ik je
niet zo
miste,

heb gebluft en
trok me terug. Ik wist nog niet dat
deze helling van mijn heup je

zo lang
wist te
boeien.

Maar dat doet ze.
Ik dacht dat je wel
weg

zou gaan,
maar je slaapt nog elke nacht hier
naast me. Je zei:

“Zullen we proberen
iets mooi te maken. Zullen we
stoeien,

naakt, maar nooit
te ver gaan. Je mag me
plagen.

Zeg maar ja en ik ga
rozen bloeien in de tuin en een
huis bouwen

voor kinderen
om in
op te groeien.”

– Malon

28 november 2019

DOE JE DAT VOOR MIJ.

Het blijft niet bij
beleefde knikken.
Je heb je mouwen opgerold

en zit al
in mijn slipje.
Onze lippen maken plaats voor

zin. Ik laat een
schouderbandje
langs mijn

armen zakken,
scheur de knopen
van je overhemd

en
stroop je lichaam af.
Wat is het

warm. ik wil er
meer van.
Je hand heeft moed gevat te graaien

naar wat ik draag
onder mijn huid. Je laat
mijn laatste restjes

achter.
Ik wil huilen.
Er zijn twee monden

die geen
verzet verdragen.
Ik denk aan wat er was

en
wil het gat tussen mijn dijen
dichten

met jouw
harde
lijf. Schat, mag ik

naar je kijken. Aanwezig
en verward en
zul je

lief zijn. Blijf je
langer
dan ik aankan. Als ik

tril van bang geluk.
Houd je me vast als ik weer weg wil
van iets onbekends

als dit en
angstig om
alleen nog

vleselijk
genot
te zijn.

– Malon

27 november 2019

LEER ME HET VERSCHIL.

Komt er ooit een dag dat ik me
op jouw lichaam
mag verheugen. Dat je

ongepaste handen
niet zo vroom meer
hoeven zijn.

Durf je je
rug
te welven in mijn lijf. Laat je je

bekken
bodem
stijgen. Hijg je

in mijn hals.
Ik wil je stijf
tussen mijn benen. Niemand

hoeft te weten
dat je je hete leden blootlegt.
Ik zal voor eens

het zweet niet schuwen,
schandelijk mijn dijen
stuwen,

leg mijn schede
om je heen
en

duw je dieper.
Je mag rijpen in mijn lies,
mijn

kuiten zien.
Mijn lief, mijn liefste lief.
Ik wil zo graag ook eens ervaren

dat dit geen lust,
maar
liefde is.

– Malon

27 november 2019

HIJ ZET ZIJN BRIL AF OM DUBBEL TE ZIEN.

De avond voor de morgen
schoor hij het grijs
uit zijn

gezicht.
Rond zijn lip lag nog een jonge glimlach,
maar de tijd

vertikte het.
Zijn oude ik probeert nog wel
van onder zijn baardje

terug te keren,
maar voor het slapengaan
legt hij zijn klokje neer

en wrijft
over zijn polsen.
Er groeit inmiddels meer haar

uit zijn oren dan zijn
kop
en hij wist lang geleden al

dat er een keerpunt komen zou
waarop de dagen
die nog kwamen

minder waren
dan de
verlorenen.

Hij weet wel dat het roest
uit de regen
is gegoten,

maar niet hoe het
met dagen
sleept.

Ze worden minder stevig,
ook.

– Malon

27 november 2019

ZE SPRINGEN NIET, MAAR ER ZIJN SLINGERS.

Op de eerste rij juichen de engelen. Ze
houden mijn kin omhoog
en één van hen

fluit zuiver
op de zijkant
van een grasspriet. Ze

schenkt warme melk
die
in me glijdt,

zoals het merg dat in mijn lage halslijn
ook ooit
zacht en wit naar

binnen
ging.
Er zit een nest vol in mijn binnenste.

Ze hebben allemaal een kom
van wei
over mij

heen gegooid.
Het dieptepunt trekt traag
langszij

en ik denk: eindelijk
kan ik iets volgzaam zijn.
Ze vliegen

één voor
één voor
mij voor

mij
voor
uit

en
leiden.

– Malon

27 november 2019

TE RAUW VOOR JOU.

Ik lag wakker afgelopen nacht. Jouw
gezicht
wrong zich

een weg
naar binnen. Het werd poeder. Flinter.
Dun en stoom.

Een spook.
Je likte mijn rug voordat je ging,
kietelde mijn middel. Ik

was
bang, heb geprobeerd
het uit me te wringen,

maar het wou, moest en
zou hier
in me

wonen.
Ooit ziet het de kneuzingen
in de achterzijde

van mijn keel,
vindt het de vellen
die daar

losjes
hangen, dan
houd ik mijn adem in en

stik en het zal
schreeuwend
naar buiten komen

en nooit meer
terug
willen.

– Malon