08 juni 2020

ETTER, EELT & ZWEREN.

En als het stil wordt, ‘s avonds, dan
komen ze mijn dromen binnen.
Ik hoor ze ritselen,
de
dochters en de zonen

die wonen
in de holtes
van dit huis. Ze kruipen
door het duister, de
geesteskind’ren uit het donker

die nooit ter wereld zijn gebracht. De
achtelozen, de
verborgenen,
de weggestopten.
Het verdrongene is als de derde tussen ons

en draagt geen vorm. Ze houdt een hoekje
vrij voor mij,
een barst, gereserveerd
waarin ik zwijgend liggen kan
en van

gedaante wisselen. Wij zijn
gelijken van elkaar. Hier splijt de
inhoud van ons
los.
Ik ben geheim

tussen geheimen.
Het geluid is ver en mijn bereik
gering.
Het donker dikt zich in en in
de kieren krimpt

het laatste krijsen. De gang is licht,
het pad is vrij,
maar ik zal
schaduw zijn. De zon
mag mij

niet vinden.

– Malon

08 juni 2020

ALS EEN SPOOK VERDAMPT.

Ze heeft je iets willen besparen. De
neerslag
in een stilte

waarom je niet gevraagd hebt.
Noem het noodweer,
noem het

hemelwater. De
sneeuwpop in het noorderlicht.
Stop even,

houd mijn voeten vast.
Zolang ze niet verdampen
kan ik niet

verdwalen.
De wolk passeert
een luchtlaag,

de benen lopen. Gaandeweg
daalt de nevel, de
hemel

heeft mij ondergeschoven,
de voetstap mij
reeds

achtergelaten.

– Malon

08 juni 2020

JIJ BENT DE ALLER DAPPERSTE.

Zes over zes. Ik moet jouw hemd aan doen,
je broek dicht
en de rits
van je gevoerde jas. Je ruikt naar hutspot en
gebakken uien.

Je tenen zijn al minder lang. Straks volg je weer
mijn stappen,
vermoeid
over de vlakte ga je dan. Ik pas
me aan. We kunnen nog

voorvechters zijn. Laat ons
een revolutie starten, hier in dit
huis
waar je verzorgd wordt en de wereld niet
naar binnen kan,

maar jij moet aanzien
hoe ze verandert. Pak je vlag. Leg je
kin af en je hals, je
schouders en je armen en de kleuren
in je haar. Het plakt

in sliertjes aan je wangen. Alles
is verkleefd. De gewrichten
in je benen,
je zenuwen, je pezen. Hoe soepel
ooit ook alles was, ik zie ze

beven,
heen en weer gaan. Je ogen
speuren om zichzelf heen
in de diepte van hun kas.
Wat zie je daar, zo

weggezonken.
Kom maar mee en laat je leden
liggen. We zijn niet aan een plaats
gebonden, ik lees je voor
uit boeken die

alleen maar hier
opnieuw gepakt en weer worden
gelezen. Trek je dikke wolle sokken aan
en zet een muts op of
een pan

als helm die ooit was voor
de griesmeel pap. Leg je lichaam af en
al je stof.
We zijn rebellen.
Wij zijn helden. Ik zal een verhaal

vertellen. Zorg dat je goed bent ingepakt, want
het is koud en we gaan ver.
Ik heb
een briefje neergelegd.
Ze moeten weten waar je bent.

Sluit je ogen maar en droom. Mijn toon zal
loom zijn
als we vechten. Ik heb geen nachtklok
ingesteld,
geen wekker. Het zal

later worden
dan we ons
ooit
hadden
voorgesteld.

– Malon

04 juni 2020

LAAT ONS IN ELKAAR ZAKKEN.

En als je zo ver bent, dan
slaap bij mij vanavond,
trek je kleren uit

en dicht
je navel, we komen
nergens meer vandaan.

Dit is wie we waren.
Zonder afkomst,
zonder oorsprong. Wij,

geboren uit verwoesting en
genadig onder deze
zon

die
zichzelf
verschroeit.

Zie je hoe ons dak dun wordt.
We plooien
met de stenen

van de muren
in ons huis. Het beton
is slap en buigzaam. Lig je eigenlijk wel

zacht genoeg.
Ach, we smelten weg,
straks, dus wat doet het er ook

toe.
Als het zover is, dan
gooi het gat over de heg en laat het

in de ruimte vallen.
Spuw het
uit

in de duisternis.
Laten we kijken hoe het neerkomt. Wij,
verzoend en

zakkend in elkaar. Ik
in jou
en jij

in mij en
dat we
samen

een ruïne zijn.

– Malon

03 juni 2020

ZIJ KAN SLECHTS WAAIEN.

Durf jij de hemel op een kier te zetten
en schone lucht
op ons los te laten,

zelfs als vanaf de wolken
daar
de dood ons uit het water vist of

laat je dat toe
aan de storm.
Tussen het riet bij de wilde zwanen

dobbert de lelie
met haar naasten, wachtend
op

een wonder. Geen van hen
kan het
voorkomen. “Het gieren zal ons

vroeg of laat
de grond uit rukken, gaan van:
“Slaap, mijn lelies, slaap

nu maar” en: “stop met het
verplaatsen van de wolken.”
Haar adem

zal de blaadjes
boven onze wortels wiegen. Wij,
grote witte lelies,

roze soms,
op het meer en daarna vliegt ze
naar de hemel toe en

biedt ons
aan.”
Misschien speurt

iemand anders nog de bodem af
op zoek naar
klei of rots

om ons te binden, maar maak
de wind toch geen verwijten.
Ondergronds

heeft zij geen zuurstof,
boven
kan de wind slechts

waaien.”

– Malon

02 juni 2020

BLIJF TUSSEN DE LAGEN HANGEN.

Ze heeft zichzelf niet aan
zien
komen,

de woestijn die uitbreekt
in haar eigen
droogte. Mijn

dochtertje
van stof en steen. Daar,
op de scheiding tussen land en leegte

ligt zij
vredig
op haar hofje.

Je kunt haar duin zien beven
of zij nog leeft
of even slaapt. En straks,

ja straks
zal ze weer opstaan. Straks, zo,
binnenkort en

later. Nu
alleen
zijn er slechts strepen die onvast in

hete luchten staan.
Ze verdwijnen
als ik dichterbij beweeg.

Saar, och Saar, lief kind van mij,
ik kom niet nader
bij

je in jouw zeestraat van Messina,
ik laat je
lucht

spiegeling
blijven
zodat je eeuwig zult bestaan.

Ik wil niet
dat je weg waait
in die grote, blauwe

lucht waar
zich de mist niet langer aan het water bindt,
zij

van het eiland loswrikt. Tril maar,
beef en ik kijk
van een afstand naar je,

bespaar mezelf het nakende
waarin je
stil

kunt
komen
staan.

– Malon

27 mei 2020

ALS TWEE BLADEN OVER ELKAAR HEEN SCHUIVEN.

Toe, warm mij op, mijn
bloed aarzelt en in mijn hals
klopt

bang
mijn ader. Het duurt niet lang meer of
ik ga voor je

op mijn knieën. Iets knipt het
elastiekje
door dat het knikken

bij elkaar hield. Mijn adem
blijf nog
binnen, de lucht ontsnapt pas weer

wanneer jouw
afgedwaalde hand
mijn

spitse
tepels
vindt.

Niet ooit eerder was een stuip
zo licht,
een kreun

zo vredig. Ik
spreid me
als een horizon voor je uit en

jij duikt
in het ronde meer
van mijn navel. Daal maar

in het gat
en dompel
onder

in mijn opening.
Voel toch deze nieuwe wind die
de hemel hoger duwt,

gooi haar
over de reling van ons bed en
laat haar

zinderen.”

– Malon

23 mei 2020

NA DIT.

Dans, dans toch,
lieve, kleine, gekke clown in je te
grote schoenen.

Knoop bloemen
van ballonnen en trek een
toeter uit je mouw. Ik hou van jou,

ik hou van jou. Vertrouw maar
op je
voeten, ze mogen

alles doen.
Plof in je pofbroek op de vloer
en zet die

bolle, rode neus maar op dat
olijk
blozend

snoetje. Vroeger
konden we
er niet van uit gaan dat het ooit opnieuw

zo
goed zou zijn
als nu, toen

vermoedde ik niet meer dat jij weer
buiten lopen kon
of zelfs maar springen,

dat je nog proeven zou van
zoete honing
tot je er

dromerig van werd en duizelen, dat
duizelen, dat
is nu juist de smaak van

blije dingen.
Eens was vrijheid ongewoon, poetste ik
schmink

van mijn gezichtje af en ook mijn
lach en
was ik triest,

veegde ik lichten bij elkaar en
snotterde
tot alles uit ging, dus

zwaai maar wild en woest en weelderig
met je zo
veel te lange armen,

daar past de ruimte en de
liefde
in.

Draai maar rond je as totdat het
flauw wordt
voor je ogen,

schop een blaadje weg en kus de
bomen. Trap de
wijde wereld

open. Dan was dat
binnen
zitten

niet
voor
niks.

– Malon

22 mei 2020

BLEKE RADAR.

Nog steeds
het kind daar in haar buik
dat eeuwig wilde blijven

drijven
en nooit is
uitgegroeid.

Zij vroeg haar met de vloed te komen, het
persen van de stroming
en het stuwen,

maar de branding
trok zich terug en hield haar golven
in.

Op zout ligt zij. Het zand
schuurt zacht haar rug en ik
durf niet te kijken.

Er is genoeg. De
open kokkels, ruimte
die tot vuisten balt,

vuurtorens
die naar niets uit zien,
zo veel te veel

aan tijd
en dan
de diepte.

De diepte van een plek
waaruit jij gewekt had moeten zijn, het
water

en het baren
van de zee. Er is
het tere binnenin dat

op geen rots
geworpen wilde worden
en ongeboren bleef en wij. Wij

laten ons verloren, nemen
afstand van de kust
al spoelt zij

elke keer weer aan. Dit kabbelen, dit
heen gaan. En telkens weer die
lege schelp, daar,

in het schuim
voor onze
naakte

voeten.

– Malon

20 mei 2020

NIET EENS OP ZOEK

Hij telt de sterren op het strand.
Links
van hem de golven,

rechts van hem,
bedolven onder zand,
de zee

van dagen terug.
Zul je een stukje van de aarde
tillen, me

uit de rimpels
en het schuim en zul je dan een
vore graven

in de duin tussen het struik
gewas,
mij leggen

in mijn ruimte.
Ver op zee
zie je ze huilen op een veld van

vis.
Hadden ze tijd gehad elkaar te zien wat
zouden ze dan

vinden.
Het verschil
tussen wat lucht en wind en boven

of beneden is
en wat spraken ze dan uit.
Wat blijft stil

liggen
als de wereld wankelt,
wie biedt genoeg gewicht, wie

valt.
Daar zwerft
de kleine vreemdeling

de kust
af. Achter
het eelt schuilt een fluwelen palm,

achter
de schatzoeker kind dat
zijn hand

hervindt
en zijn
vermogen.

– Malon