24 januari 2020

OLIFANTEN IN DE AARDE.

De stad verheft haar hoge daken.
Ik dacht dat ik de wijken kende
en de flats die

in die wijken waren,
maar het zijn roze olifanten,
middenin de wereld,

niemand
draait zich ervan af.
We zien niet langer de

glimmende schoenen
die bovenop de beschaving staan
van kleine mannen

met brede voeten
die binnengaan waar ze niet mogen
en weglopen

met droge ogen
nadat ze alles
hebben meegenomen.

Die verandering breekt aan
voor we het
in de gaten hebben.

We vragen:
“Hoe nu verder?”
“Zeg het maar.”

Ze zitten bovenin hun toren,
de hemden strakker
dan hun lijf en wij

zijn ongemerkt ergens aangekomen
waar we
niet eens

heen zijn gegaan.

– Malon

23 januari 2020

WAT DAN OOK.

De wolk van een eerdere nacht
wierp iets naar beneden.
Het lag

in de meest zwarte hoek
van het park.
Het duister vroeg nog naar het pad

erheen, zag door zijn eigen donker
niet zo heel goed
wat het was.

Er liep een blote man op af.
Hij bukte
om het op te pakken.

Even stond de
kerkklok stil, de dood leek
zo onzichtbaar, daar. Hij

was niet bang,
klemde zijn handen rond hetgeen er was
en ging toen terug,

het maanloos pad af.
De vergankelijkheid hervatte zich,
het doodgaan

ging weer door.
Niemand kon zien wat hij gevonden had,
maar hij zou een ander mens

bij terugkomst zijn.
Of het nu wel
of niet was

wat hij zocht.

– Malon

22 januari 2020

WEDERZIJDSE LIJVEN.

Mijn borst zwenkt na van laatste kussen,
ons lijf is
wederzijds geworden. Zo

kruipen wij ons
lichaam door.
Ik ken dit jonge meisje.

Ze is niet bang voor bloedverlies.
De lijn is dun.
Met jou is mijn geheel geboren.

De dingen zullen meer gelijk zijn
dan eerder ooit en ooit
tevoren.

Het lijkt of ik al
heb geleefd. Voorheen was
deze adem

los van lucht,
maar uit mijn
elke zucht ontstaan. Je naam,

geborgen,
ligt intussen
ons te rusten.

Ik vond je in mijn long terug.
Niks dat ik er
aan kon doen of zelfs maar

heb gedaan. Je
liet je onder,
dompelde, bedaarde er

van elk zware storm
die trok
over ons heen. We waren samen daar.

Het was kalmerend,
zoveel hetzelfde wezen, gewoon
twee verlegenen

die bij elkaar in slaap verdwenen.
Hoofden die wegrolden op volle boezems
zonder bang te zijn

hun geesten
op
te moeten geven.

– Malon

21 januari 2020

INSTORTINGSGEVAAR.

Ze ging om te vergeten
hoe het blad er beefde
boven de vorst op de grond,

hoe haar kleine bed
in de plank
verzonk

en zij,
omringd door dik beton,
haar eigen vingers krom trok.

Het werd te donker
in de smalle, koude kamer.
De omtrek van zijn borst leek ooit

een huis. Het had
een raam, een
rieten dak. De open haard was warm.

Zij werd er oud
in zijn contouren,
maar zwoer dat deze liefde

zo fataal voor haar zou zijn
dat zij er eerdaags
in zou blijven.

Zij wilde rouwen
voor de kou kwam,
verloor haar wenkbrauwen en

trok er weg. Ze
bedekte zich met sneeuw
en bleef dan eeuwig

voor de voordeur staan.
Blauwe lippen,
dichtgeslagen, bleek, een

witte weduwe.
Hij was nog altijd woning die
rechtop stond,

maar ze durfde niet meer binnen.
Bang
dat niemand

open doen kon

– Malon

20 januari 2020

ONDER ONZE WITTE HANDEN.

We hadden die dag het riet gescheurd
en de grasspriet zien
gebeuren.

De nuances kleurden in
en blaasjes
zeurden onder onze zolen. We

kraakten open, legden onze tenen bloot
en zwollen zwoel
van zomer.

Ik weet nog dat je bloosde
toen we elkaars voeten wasten.
De wind verkoelde zich

aan natte wangen.
Op de bank lagen je kleine slippers.
Ik droogde je

met lichte lappen.
Er was een draagdoek voor je armen
en vanaf deze morgen

steunden we
op elkaars benen
zonder dat het pijn deed en we

lieten ons elkaar begeven,
even
twee jonge meisjes zijn

die hun bovenkleding af durfden te leggen
en bleek werden
onder het kuise prieeltje

zonder zelfs maar te weten
dat we al lang
vergeven waren.

– Malon

15 januari 2020

DIE SCHEUREN IN JE STEM.

Dan zitten er gaten in je keel
en je ogen hangen
in hun staren stil.

Je duwt het weg,
legt snel je lepel, vork, mes, broodmes en
servetje

naast je neer, dan
is het er
niet meer.

Je bent eraan gewend geraakt,
merk ik,
dat je nooit geleerd hebt

voor jezelf
te leven,
wilt steeds maar mensen om je heen,

omhelst ze
om hun vastigheid te voelen
en je in jou

te doen
geloven.
Maar wat blijft over, dan, als ooit

niemand naast of
boven je staat,
als al het licht straks van de aarde af valt,

de zon haar
schaduwen slaat
in de volle grond.

Besta je dan
nog,
waar het land droogt,

je de boot hoort schrapen
over houten bodems,
je je beseft dat zij het antwoord hebben

op de vragen
die je stelt,
maar wel pas als ze weg zijn

en het je niet meer
kunnen
vertellen.

– Malon

14 januari 2020

SMEKEN TOT OP ZEKERE HOOGTE.

Oh ja, daar. Ja, ga
nog maar een beetje dieper.
Zo heb ik het het liefst

net niet
kieper ik.
Zolang gevaar niet te dichtbij komt

is het
aangenaam plezierig.
Ik vond het diepste van genot

ergens
tussen botsplinters en vervlogen
vlinders.

Daar waar het wringt.
De dood mijn
tenen likt.

Ik kus het liefst de mond
die uit het dichtste donker komt.
Misschien raak ik haar

net niet,
misschien
nog minder. Misschien.

iets. Kriebels.
Ik zit in buslijn vier naar huis en
dwarrel door mijn haar.

Ik denk aan
hoe jij me bijna dood liet gaan
en hoor mezelf

door te harde muziek heen stamelen
van:
“dank je”.

– Malon

13 januari 2020

VRIJEN MET EEN VREEMDELING.

Om me heen zie ik de mensen
uit hun lege dromen komen,
ze voegen

aan de wereld
niets meer toe.
Het lijkt of ze de vreugde proeven

van een mens dat
onontdekt blijft,
hoe dat het leven lucht geeft

juist op het moment van vrezen om
onnoemelijk
te zijn.

We willen best wel horen
wat we niet graag
willen weten,

maar dan wel vrijen in de schemering
zonder naam en met een
vreemdeling.

Niet alles
hoeft
hardop gezegd. Immers

welk onderscheid maakt jou mijn vijand
als we het liefste slapen naast
de onbekende wezens

blind voor
elk verschil dat ons nog afremt om echt
lief te kunnen

hebben.
Soms lijden we zo onder ons, dan
weten we

geen kind te zijn en dat jij
niet mijn moeder bent die
open of gesloten

ogen
mijn bedekt gezicht
kan lezen.

Maar leer me dan geheim te zijn
en jij, voor even,
streel

door mijn vergeten haar, aai
het verhaal dat ik je
niet verteld heb.

Weet niet wat ik
verzwegen heb. Laat mij gewichtloos
in je armen

liggen. Zoen deze
anonieme tepels. Betreed mijn schemer.
Vrij mijn

onbereisde lijf
tegen je aan en dan –
betreed het.

Neem dat wat niemand in bezit heeft
tot je. Schreeuw mijn
onbekende naam.

Laat me
voor altijd zo vergeten zijn.
Kus het gebrek onder de dekens

dat in het
donker liggen bleef,
want in het donker is geen oordeel. In het

donker zijn we
even mooi.
Kom, liefkoos

blind en onbeperkt,
vergeef me zonder dat je weet wat ik
hiervoor heb

fout
gedaan.
Vergeet de voorwaarde,

de hindernis, de struikelsteen,
de reden
niet van mij te houden

omdat je iets hebt leren kennen
waar je niet goed
mee kunt

leven.

– Malon

12 januari 2020

VANUIT DE HEMEL IS ALLES KLEIN.

Het is te subtiel om het te zien,
maar de engelen
verliezen hoogte.

Ze kijken
onder vleugels door
en zoeken steun bij de gewone mensen.

“Onze luchten zijn van lood.
Er zit een ander
op de wolken.

Help ons toch.
Het is te groot.
Hij heeft de toegang tot onze hemel ontnomen.”

Vanaf de grond zie ik hoe God
zichzelf op zijn rug
probeert te dragen.

Ik zie hoe engelen
om genade vragen. De nimbus
afleggen,

gezamenlijk,
en bidden tot elkaar met frêle,
dichtgeslagen veren.

“De poort is dicht, wij durven niks,
niet eens de
sleutel

in het slot te draaien. Elke
handpalm
is een kooi

voor dat wat past en
klein
genoeg is.”

– Malon

11 januari 2020

ELKE GRASSPRIET EEN EIGEN DOOP.

Er was een korter pad naar huis,
maar de keuze had haar
al gekozen

voor ze besloot
naar de heuvels te trekken.
Het was de eenzame voet

die ze volgde. De kam was steil
en de glooiende helling
leerde haar zich

omhoog te bewegen
als een strenge leermeester en een goede vriend,
de beste misschien

die ze ooit zou ontmoeten.
Eenmaal op de top geklommen
stroopte ze haar

mouwen op,
nam er een kwast in haar
kleine hand en

klemde haar vingers er innig om vast.
Er was gele verf,
ze zocht de zon,

schilderde haar buik
en doopte elke grasspriet
die er stond.

Ze zong voor
ieder blad een liedje.
Elke struik kreeg een eigen stem,

ze gaf de
planten
nieuwe tongen en

bracht ieder takje dat ze vond op de grond
weer terug naar de boom
waar het vanaf was gebroken.

En toen, toen alle orde weer hersteld was
en alle zaadjes
op hun plek,

voelde ze plots hoe graag ze wilde
dat haar vader
bij haar

op die berg kwam zitten.
Geklitte handen.
Samen niks.

Even in zijn
evenwicht.
Ze was van huis gegaan

om uit verschillende monden
de stilte te horen
van zijn verloren naam.

Ineens
brak licht
op haar schouders door

en
was hij
daar.

– Malon