20 januari 2020

ONDER ONZE WITTE HANDEN.

We hadden die dag het riet gescheurd
en de grasspriet zien
gebeuren.

De nuances kleurden in
en blaasjes
zeurden onder onze zolen. We

kraakten open, legden onze tenen bloot
en zwollen zwoel
van zomer.

Ik weet nog dat je bloosde
toen we elkaars voeten wasten.
De wind verkoelde zich

aan natte wangen.
Op de bank lagen je kleine slippers.
Ik droogde je

met lichte lappen.
Er was een draagdoek voor je armen
en vanaf deze morgen

steunden we
op elkaars benen
zonder dat het pijn deed en we

lieten ons elkaar begeven,
even
twee jonge meisjes zijn

die hun bovenkleding af durfden te leggen
en bleek werden
onder het kuise prieeltje

zonder zelfs maar te weten
dat we al lang
vergeven waren.

– Malon