28 januari 2020

GEEN SCHIJN VAN KANS.

Ik had de doffe hoeken
weggepoetst, dacht ik,
maar die

schaduw lijkt toch echt op iemand
die ik al lang
verloren ben.

En ik zit er
middenin,
op mijn handen en mijn knieƫn.

Veeg haar donker bij elkaar,
alsof de lucht waarin ze ligt
iets heel, heel

zwaars is.
Ooit heb ik haar verlaten
om de mens eraan

te leren kennen,
maar wat nu als ze terug is hier als
onbekende.

Zal ik dan gaan zitten
wachten tot ze wil vertrekken met me
en verdwalen

op een plek
waar ik niet verder wilde gaan.
Zal ik er

zoeken in haar blonde haren
naar het as en naar de wilde zwaluw
die streng

voor streng
het muffe grijs
uit haar vandaan trekt. En zal ik

mijzelf daar vinden, dan,
met mijn handen rond mijn eigen nek
klauwend

naar mijn hoofdhuid.
Kaalgeplukt van wanhoop,
nagels

in mijn eigen donker
tastend
naar wie ik ben.

– Malon