30 januari 2020

SNEEUWENGEL.

Ik lig tegen je warmte aan,
ben koud
van buiten in de sneeuw

en naast mijn huid
lig jij.
In de lucht bukken de vogels.

De winter snijdt
ze open.
De kilte kent ons heel persoonlijk en we wachtten

tot de tijd verschoof,
maar naast elke twijfeling
lig jij.

En ik kwam bij je.
Heel dichtbij.
Losgevroren van de zomer,

rommel in mijn haar,
ogen
slaperig en jij de

enige
engel
binnen bereik.

Alleen jij lijkt te begrijpen
waarom ik zoeken blijf naar dat wat je me
steeds weer

doet geloven.
Ik verboog onder de winter
en het leven

dat ik lijd.
Soms krijs ik naar de hemel boven,
maar naast al het ijs

dat daar vandaan komt
en naast alle
eenzaamheid

lig jij.

– Malon