23 maart 2020

BIJ HET VALLEN VAN DE WANDEN.

Sinds wanneer sluiten we alles
af
in een nieuw soort

zwijgen.
Niet als de stilte van je lip
die als deksel

op de mijne ligt, maar als
mantel
van de veiligheid.

Wie bevrijdt ons. Wat is wijsheid.
Hoevelen hijsen niet het boetekleed
rondom het

eigen lijf.
Een virus kun je niet bestraffen,
slechts

bestrijden.
Man, man, man, ik weet inmiddels
zelf niet meer wat waar is en wat feitelijk

onjuist. Ik zie dat
alle krijgers van ons land
met de felste kleuren strepen krijten

op hun gloeiend
hete wangen
en dat anderen tien kleuren

schijten. Niemand
valt iets te verwijten
behalve iedereen en allerlei,

we dragen mondkapjes als teken van
begaanheid
en bezonnenheid en vegen

natte lokken
van ons voorhoofd. Iedereen
is klein

en kwetsbaar.
Iedereen bekwaam
en wijs.

Er is een brandhaard met een doofpot en
een lopen end vuurtje,
er zijn lijken.

Er is een collectieve vijand,
maar geen mens
om tegen te vechten. Wie trekt die

wagen, wie draagt schuld,
wie is de echte held, wie slecht, wie
knullig.

Hoe kunnen we die smet berechten.
Wij nemen onze eigen vrijheid,
zetten ons gevangen

en laten de ziekte
buiten
beklijven, want we kunnen

haar
niet
opsluiten.

Ik kijk naar hoe het zich verspreidt
en hoop alleen nog maar dat,
ooit,

bij het vallen van de wanden
en de tralies
waarachter we nu verblijven

ieder het gelijk aan zijn kant krijgt,
behalve dan,
misschien,

de liefde.

– Malon