30 april 2020

DAN BREEKT DE BUNKER.

En steeds die warme schoot
waarin het zo zacht liggen was
en nog

als we maar
niet zo groot meer
zouden zijn, daar

landden we zo lichtjes.
En dat we als een kleine vogel
pitjes

uit
zijn hand aten,
geduldig en verwachtend.

Je droeg ons ver die dag, ging
op de fiets
naar de dierentuin, ik

op de stang,
en toen
de speelplaats.

Springtouwen, skippy-
jippy,
stuiterbal. We blijven lang

en mogen later nog
met onze vieze schoenen
over je banken springen.

Lava op de vloer
en
in de woonkamer bouwen we tenten

en een schip.
Ineens
hoor ik de stem van mijn vader

op een zee daar
in de verte
waaronder

ik mijn eigen kind werd. Er is niemand
om me heen, ik sta alleen
op een vieze bank.

Vingers
om een vlag en
knikkers

in mijn hand.

– Malon