08 juni 2020

JIJ BENT DE ALLER DAPPERSTE.

Zes over zes. Ik moet jouw hemd aan doen,
je broek dicht
en de rits
van je gevoerde jas. Je ruikt naar hutspot en
gebakken uien.

Je tenen zijn al minder lang. Straks volg je weer
mijn stappen,
vermoeid
over de vlakte ga je dan. Ik pas
me aan. We kunnen nog

voorvechters zijn. Laat ons
een revolutie starten, hier in dit
huis
waar je verzorgd wordt en de wereld niet
naar binnen kan,

maar jij moet aanzien
hoe ze verandert. Pak je vlag. Leg je
kin af en je hals, je
schouders en je armen en de kleuren
in je haar. Het plakt

in sliertjes aan je wangen. Alles
is verkleefd. De gewrichten
in je benen,
je zenuwen, je pezen. Hoe soepel
ooit ook alles was, ik zie ze

beven,
heen en weer gaan. Je ogen
speuren om zichzelf heen
in de diepte van hun kas.
Wat zie je daar, zo

weggezonken.
Kom maar mee en laat je leden
liggen. We zijn niet aan een plaats
gebonden, ik lees je voor
uit boeken die

alleen maar hier
opnieuw gepakt en weer worden
gelezen. Trek je dikke wolle sokken aan
en zet een muts op of
een pan

als helm die ooit was voor
de griesmeel pap. Leg je lichaam af en
al je stof.
We zijn rebellen.
Wij zijn helden. Ik zal een verhaal

vertellen. Zorg dat je goed bent ingepakt, want
het is koud en we gaan ver.
Ik heb
een briefje neergelegd.
Ze moeten weten waar je bent.

Sluit je ogen maar en droom. Mijn toon zal
loom zijn
als we vechten. Ik heb geen nachtklok
ingesteld,
geen wekker. Het zal

later worden
dan we ons
ooit
hadden
voorgesteld.

– Malon