08 juni 2020

ETTER, EELT & ZWEREN.

En als het stil wordt, ‘s avonds, dan
komen ze mijn dromen binnen.
Ik hoor ze ritselen,
de
dochters en de zonen

die wonen
in de holtes
van dit huis. Ze kruipen
door het duister, de
geesteskind’ren uit het donker

die nooit ter wereld zijn gebracht. De
achtelozen, de
verborgenen,
de weggestopten.
Het verdrongene is als de derde tussen ons

en draagt geen vorm. Ze houdt een hoekje
vrij voor mij,
een barst, gereserveerd
waarin ik zwijgend liggen kan
en van

gedaante wisselen. Wij zijn
gelijken van elkaar. Hier splijt de
inhoud van ons
los.
Ik ben geheim

tussen geheimen.
Het geluid is ver en mijn bereik
gering.
Het donker dikt zich in en in
de kieren krimpt

het laatste krijsen. De gang is licht,
het pad is vrij,
maar ik zal
schaduw zijn. De zon
mag mij

niet vinden.

– Malon