09 juni 2020

NET VOOR HET SMELTEN.

Ik heb de tijd geteld, zag hoe je
ene hand
je andere vast hield

of je jezelf bijeen kon houden.
Het was één en al
behelpen:

De woorden die niet langer
kwamen, de daad
die werd gedempt

en almaar dat herhalen
van het
ongedane.

Dit is onschuldig sterven.
De vorst die haar korst
over de aarde legt,

je dikke jas
met hoge kraag,
de stengels van december die nog

stijf staan
in het bed. Hun koude benen,
pegels.

Het ijs in je hart is uitgezet,
breekt door de randen. Jij
wordt niet meer warm,

mam
en ik. Ik heb hier
almaar naast je gezeten,

sloeg je gade,
wachtend,
wetend.

Nooit heb ik wat kraakt en beeft zich
zo
vol liefde

af laten breken.

– Malon