08 oktober 2020

NIET DE MODDER.

Vroeger was het beter.
Toen
bleven we voor eeuwig jong,

bewogen we nog speels,
keken met ogen
zonder leeftijd.

Nu rimpelt ouderdom over je hand –
Ze trok je aan je arm
en rende weg. Iets grijzigs

nam je mee.
Het regent. In de plassen op het karrenspoor
houdt zij je tegen,

legt haar palm in je hart en stelpt het galmen.
De tijd stopt kalk in je hals,
trekt het goud uit je haar,

dekt alles af met zilver
verf,
verlopen waardebonnen en gaat dan

verder.
Je hebt niks bij je. Jullie hollen.
Beiden op pantoffels, hobbelend over de hei.

Dan kijk je om, plots sta je tot je nek aan
in de klei
en het dondert

niemand.
Je bent de tijd vergeten. Ergens halverwege
verdween ze in de struiken.

Ooit was ze je vriendin.
De ijzeren band om je buik verstikt je,
zij wordt strak

aangetrokken.
Je bent gekrompen.
Voor al wat je verzameld hebt

is het lijf waar je leeft te klein geworden.
De klem, tevreden in je vlees,
knijpt nog een beetje.

Ze komt nog één keer langs, de tijd
werkt alle laatste groeven bij.
De rimpels, tekenen

van het verleden
en de kring
onder vermoeide leden.

Beneden
in de plassen kijk je.
Waar is ze toch gebleven.

Je gezicht
is dat
van een vreemde.

– Malon