12 oktober 2020

KON IK MAAR BETER LIEGEN.

Pappa,
zeg me hoe ik door moet
als jij niet verder gaat,

waar
ligt nu weer de rest van later.
Ik haal de vuisten uit mijn handen

en zet er veel te kleine pasjes
met mijn veel te kleine
stapjes.

Nee, pappa,
ik wil niet daarheen.
Ik word er wakker voor de nacht aanbreekt, dan

zoek ik jou,
maar het is licht in deze stad. Altijd maar akelig
brandende

neon
lampen.
Ik zoek je lichaam op de tast,

maar ik geloof niet pap, ach,
kon ik maar –
Kon ik maar liegen en mezelf bedriegen

in een illusie leven
ver van hier.
Wat was ik graag die kat die

in het licht van een portiek,
een lief café,
een kleine steeg

of het gebied onder de straatlantaarns
zijn eigen schaduw op de muur
vier keer zo groot

als zichzelf ziet staan.
Wat had ik graag geloofd in fakirs,
monniken

en kale priesters,
Hare Krishna’s met oranje gewaden, die
geitenwollen-sokken-dragers

in veel te ruime,
houten
sandalen

en kruidendokters
wierook,
vaders

die in de hemel zijn.
Och, pappa
werd jij maar waankomeet,

je uitgestrekte armen strepen,
vallend door de ozonlaag,
dat ik je

uit de nacht kon halen,
gouden staart
en dat je bij het sterven fonkelt,

steeds helderder wordt
als je me
nadert.

– Malon