23 oktober 2020

SCHEER JE WEG, STER.

Veel te vaak nog voel ik die
versnellende hartslag in je onderbuik
kloppen

en hoor de maan
die krijst boven de zee,
dan wil ik

het donker zo donker dat het de sterren opslokt en samen
met hen

verzwolgen worden.
Ik wil vergeten.
Het is het enige.

Het enige dat werkt. Het enige
dat mij nog uit de nacht trekt is het zwarte
zelf. Zo.

Zo, onder een lege hemel
is geen verleden, hier ziet niemand
het decoratief kleed

dat ik ben,
omdat de neiging van een man dat
om mij legde.

Al wat nog mij met hem verbindt
is die
herinnering –

Maar wat nou als afwezigheid
geen betekenis kent
en de tijd

geen getuigenis,
wat als ik de ruimte om kon buigen
en de ster kon laten sterven.

Dan kon ik alles zomaar weg denken.
Ik kon hem
omleggen.

Misschien kan ik dan zelfs
nog eens uit die auto stappen voor we naar
weet-ik-veel-waarheen toe

gingen,
die laan door
met aan beide kanten hoge seringen

en herboren worden
als meisje
dat niet vermist werd.

Want elke keer,
na al die jaren,
dat ik weer contact opneem met mijn lichaam

is het zwart,
teer,
leeg en asfalt,

zoals de zijweg met de hoge seringen,
waarop ik terug liep in die zomer
op vieze,

blote voeten
en bloemen, kaarsen, liefde, zand
in mijn schoenen, maar ook

die onvrijwillige handen – Niets
nog iets weten wilde
van geschiedenis.

– Malon