23 oktober 2020

HEIN, HET MAGER MEISJESKIND.

Naast haar het witte vlak
zoals zij is, de tint
verloren

in het licht.
Haar wit ligt op het keukenblad,
viel door het raam. Binnen

zit de oude dame met haar pop,
kind
met een hamer.

De nek met dertig kragen
kraakt op de grond
een oog rolt

weg,
naar boven starend.
Hals over kop bedenkt de dame zich dat

alles wat werd aangeleerd
niet zomaar
afgeleerd kan worden.

Er is een voet die draait
voor de dans in de schemering,
er is een rib

waaraan een mes zich slijpt.
Er is een lijk met honderd zestig namen.
Een schaduw schuilt

onder het altaar –
Huilt
om haar afwezigheid.

Was zij verminkt al voordat ze ontstond of
is ze zo
geworden.

Het kind
draagt daadkracht in haar vuistje,
Soms wijkt de dood

van zijn gedaante af –
Niemand
sluit zij uit.

– Malon