27 oktober 2020

EVE GITMEME IZIN VER.

Ik herinner me de zure hitte
en het dichtklikken
van sloten

en hoe ik weg zink
in die stoffen stoel, probeer mijn hoofd
goed

vast te houden.
En ik weet nog
dat het van mijn nek af viel.

Ik liet het vallen in een stilte.
Al het stille
dat ik kon verzamelen

tot het mijn moedertaal geworden was
en bleef haar
eindeloos herhalen.

Ik heb me honderd manieren voor de geest gehaald
waarop ik open deuren was
die hij maar straffeloos

binnen kon gaan,
hoe ik de inventaris op zou maken
van mijn lichaam.

Mijn haar was niet langer
van mij. Mijn huid niet, noch mijn nagels. Niet mijn
benen, niet mijn

lippen of mijn oren,
niet mijn borsten of mijn buik
en niet mijn vagina,

niet iets
zou ooit mijn eigendom meer zijn, zelfs niet
mijn adem

of mijn eigen
waarde.
Stoot maar en ga je gang.

Ik ben te bang de ochtend niet te halen
en ik schraap mezelf wel van de bodem
als het niet zover zal komen.

Ik zal wel eeuwig slapen
in de vreemde lades
van een vreemde kamer van een vreemde stad

en ik zal
nooit
je naam verraden,

maar Ridouan,
eve gitmeme izin ver.
Laat me naar huis gaan,

snijd me uit die gordel,
breng me terug daar waar ik hoor, mijn vader
zal wel ongerust zijn

nu ik veel te laat weer aan de voordeur sta.
Ik moet echt terugkeren
naar mamma

en ik beloof je, na vandaag –
Voortaan
ga ik alle mensen

waarvan de aanraking slechts teder is
van me af slaan, ik zal
afstand bewaren,

ik zal de zachtste hand verlaten
en de schaamte
om mij heen draperen.

Ik zal zo zijn zoals het witte laken
dat ik in mijn
witte vuist bewaarde.

Ik zal het witte laken,
ik zal het laken,
wit

laken
nóóit meer loslaten om me
om een ander

heen te slaan.

– Malon