27 decembe 2020

ONTSTOKEN.

Ik stapte uit de lucht,
onder het deinen
in iets dat

eindeloos veel sterker was
dan ik.
De stroom, van plan om alles mee te slepen, trok

aan mijn kuiten, dreunde,
slingerde
zich om zichzelf zelfs heen, nam al

wat het kon nemen.
Ik liet me naar de vissen zakken,
de zuurstof

die mijn long verlichtte
achter
aan het oppervlak.

Niets ooit is er me opgevallen,
buiten
jouw provocerend lachen, niet

hoe soms de
wind veel kouder is
aan het begin van de nacht,

aan de rand van die vlakte waar jij me
jouw jas gaf en
ik mijn eerste

kus, niet
hoe vlug de
druiven van kleur veranderen

naargelang het licht,
niks van hun paars of rood of blauw
of lichtgroen

leek toch ooit
oranje.
Ik zag jou. Alleen maar jou.

Mondhoeken,
vechtend tegen de zwaartekracht,
lange vingers,

zachte randen
en pas nadat ik jou gezien had
werd de wereld

anders.
Ik zag de brand.
Ik zag het exploderen van de stampers,

ik zag elk molecuul,
de Sturm und Drang, had
oog ineens voor wat

al was, dat
wat me nooit was opgevallen
zonder

ander.

– Malon