09 juni 2020

HEEL HET ALLES.

Maar eer het zo ver is, houd me nog
even vast
zoals ik was

en laat me daarna
aan mijn ander.
Vergeet dat ik nu groter ben.

Ooit paste ik nog
klein
en breekbaar in jouw open gelegen

palm,
genesteld
en beschermd tegen het zwart dat

knelt en knarst. En nog
steeds
als ik ergens heen ga, mam,

ben jij daar ook,
omdat ik altijd in je thuis kan komen: lijf
dat mij verwacht.

Het is me veilig
in jouw arm bevallen, nooit was er noodzaak
weg

te gaan.
Jij hebt de kramp verdragen, ik een
gat geslagen

in jouw schoot.
Ik leer me weren in de wereld,
maar

hier
lig ik, jouw eeuwig
kind.Jij

houdt mijn evenwicht en heel het alles
kan ik aan
met ogen dicht

op jouw
gelaat
gericht.

– Malon

09 juni 2020

NET VOOR HET SMELTEN.

Ik heb de tijd geteld, zag hoe je
ene hand
je andere vast hield

of je jezelf bijeen kon houden.
Het was één en al
behelpen:

De woorden die niet langer
kwamen, de daad
die werd gedempt

en almaar dat herhalen
van het
ongedane.

Dit is onschuldig sterven.
De vorst die haar korst
over de aarde legt,

je dikke jas
met hoge kraag,
de stengels van december die nog

stijf staan
in het bed. Hun koude benen,
pegels.

Het ijs in je hart is uitgezet,
breekt door de randen. Jij
wordt niet meer warm,

mam
en ik. Ik heb hier
almaar naast je gezeten,

sloeg je gade,
wachtend,
wetend.

Nooit heb ik wat kraakt en beeft zich
zo
vol liefde

af laten breken.

– Malon

09 juni 2020

KROELPOESJE.

Neem dan mijn huis en zet je stoel neer
in de kleine opening
tussen

de deur
en het
bewonen.

Verken mijn kamers en mijn wanden,
dans op mijn plank,
loop

door me heen. Het brood is warm,
de koffie heet. Eet
van mijn bord.

Ik zal een maaltijd voor je koken
en je zetel
aan de tafel schuiven.

Er zal boter zijn. Wees guitig. Hier is je
gouden lepel.
Je mag honing likken

van mijn tenen.
Kom.
Ik heb de deur al op een kier gezet, de

lakens fris
en hangend aan de lijn.
Ik wil graag

dat je blijft. Zet je schoenen naast het bed,
daar
bij de mijne.

Voor je in me neerstrijkt zal ik
door je krullen
kroelen.

Je mag knoeien,
je mag kneien. Mors
over mij.

Ik zal je kroelpoes zijn.
Kom
mij

bezoeken.

– Malon

08 juni 2020

DUBBELE BODEM

Ik vond je pas weer
toen het eb werd, waar de zee
haar golf had

neergelegd
en jij in bruikleen
op het strand lag. Mos

op armen en koraal
dat zich al krulde om je kruin als
waren het

je eigen haren. In de duinen
zocht ik naar je,
spelend

met je eigen geest. Jij, je
tweede bodem mee
en ik

die niet
onder jouw grond kon komen.
De kreeft en jij

verborgen
samen. Ik weet: dit hebben ze gemeen.
Ze kruipen eeuwig weg,

onder het zand,
daar
vinden ze

de hemel.

– Malon

08 juni 2020

ZIJ DIE ZICHZELF HEEFT TOEGEZEGD.

En toen ze instemde mocht ik
leren kennen wat er onder
deze sluimer

deken van een nacht lag
die mij
voor haar

beschikte.
Ze had zichzelf geheim gehouden
In die

hooggesloten trui
die nergens welvingen van huid verried.
Het was het kleed

dat van haar afgleed
dat vertelde
wie ze achter hield.

Er zat rust
in haar bewegen. De liefde kreeg
vrij spel. Er was geen

vrijen,
enkel dit.
Twee verstrengelden. Twee naakte meisjes.

Hoofd in haar haar, hand om
haar borst. Zij
die haar buik vast hield

en het samen wachten
tot er
niets gebeurde.

En nogmaals.
En
opnieuw.

– Malon

08 juni 2020

ETTER, EELT & ZWEREN.

En als het stil wordt, ‘s avonds, dan
komen ze mijn dromen binnen.
Ik hoor ze ritselen,
de
dochters en de zonen

die wonen
in de holtes
van dit huis. Ze kruipen
door het duister, de
geesteskind’ren uit het donker

die nooit ter wereld zijn gebracht. De
achtelozen, de
verborgenen,
de weggestopten.
Het verdrongene is als de derde tussen ons

en draagt geen vorm. Ze houdt een hoekje
vrij voor mij,
een barst, gereserveerd
waarin ik zwijgend liggen kan
en van

gedaante wisselen. Wij zijn
gelijken van elkaar. Hier splijt de
inhoud van ons
los.
Ik ben geheim

tussen geheimen.
Het geluid is ver en mijn bereik
gering.
Het donker dikt zich in en in
de kieren krimpt

het laatste krijsen. De gang is licht,
het pad is vrij,
maar ik zal
schaduw zijn. De zon
mag mij

niet vinden.

– Malon

08 juni 2020

ALS EEN SPOOK VERDAMPT.

Ze heeft je iets willen besparen. De
neerslag
in een stilte

waarom je niet gevraagd hebt.
Noem het noodweer,
noem het

hemelwater. De
sneeuwpop in het noorderlicht.
Stop even,

houd mijn voeten vast.
Zolang ze niet verdampen
kan ik niet

verdwalen.
De wolk passeert
een luchtlaag,

de benen lopen. Gaandeweg
daalt de nevel, de
hemel

heeft mij ondergeschoven,
de voetstap mij
reeds

achtergelaten.

– Malon

08 juni 2020

JIJ BENT DE ALLER DAPPERSTE.

Zes over zes. Ik moet jouw hemd aan doen,
je broek dicht
en de rits
van je gevoerde jas. Je ruikt naar hutspot en
gebakken uien.

Je tenen zijn al minder lang. Straks volg je weer
mijn stappen,
vermoeid
over de vlakte ga je dan. Ik pas
me aan. We kunnen nog

voorvechters zijn. Laat ons
een revolutie starten, hier in dit
huis
waar je verzorgd wordt en de wereld niet
naar binnen kan,

maar jij moet aanzien
hoe ze verandert. Pak je vlag. Leg je
kin af en je hals, je
schouders en je armen en de kleuren
in je haar. Het plakt

in sliertjes aan je wangen. Alles
is verkleefd. De gewrichten
in je benen,
je zenuwen, je pezen. Hoe soepel
ooit ook alles was, ik zie ze

beven,
heen en weer gaan. Je ogen
speuren om zichzelf heen
in de diepte van hun kas.
Wat zie je daar, zo

weggezonken.
Kom maar mee en laat je leden
liggen. We zijn niet aan een plaats
gebonden, ik lees je voor
uit boeken die

alleen maar hier
opnieuw gepakt en weer worden
gelezen. Trek je dikke wolle sokken aan
en zet een muts op of
een pan

als helm die ooit was voor
de griesmeel pap. Leg je lichaam af en
al je stof.
We zijn rebellen.
Wij zijn helden. Ik zal een verhaal

vertellen. Zorg dat je goed bent ingepakt, want
het is koud en we gaan ver.
Ik heb
een briefje neergelegd.
Ze moeten weten waar je bent.

Sluit je ogen maar en droom. Mijn toon zal
loom zijn
als we vechten. Ik heb geen nachtklok
ingesteld,
geen wekker. Het zal

later worden
dan we ons
ooit
hadden
voorgesteld.

– Malon

04 juni 2020

LAAT ONS IN ELKAAR ZAKKEN.

En als je zo ver bent, dan
slaap bij mij vanavond,
trek je kleren uit

en dicht
je navel, we komen
nergens meer vandaan.

Dit is wie we waren.
Zonder afkomst,
zonder oorsprong. Wij,

geboren uit verwoesting en
genadig onder deze
zon

die
zichzelf
verschroeit.

Zie je hoe ons dak dun wordt.
We plooien
met de stenen

van de muren
in ons huis. Het beton
is slap en buigzaam. Lig je eigenlijk wel

zacht genoeg.
Ach, we smelten weg,
straks, dus wat doet het er ook

toe.
Als het zover is, dan
gooi het gat over de heg en laat het

in de ruimte vallen.
Spuw het
uit

in de duisternis.
Laten we kijken hoe het neerkomt. Wij,
verzoend en

zakkend in elkaar. Ik
in jou
en jij

in mij en
dat we
samen

een ruïne zijn.

– Malon

03 juni 2020

ZIJ KAN SLECHTS WAAIEN.

Durf jij de hemel op een kier te zetten
en schone lucht
op ons los te laten,

zelfs als vanaf de wolken
daar
de dood ons uit het water vist of

laat je dat toe
aan de storm.
Tussen het riet bij de wilde zwanen

dobbert de lelie
met haar naasten, wachtend
op

een wonder. Geen van hen
kan het
voorkomen. “Het gieren zal ons

vroeg of laat
de grond uit rukken, gaan van:
“Slaap, mijn lelies, slaap

nu maar” en: “stop met het
verplaatsen van de wolken.”
Haar adem

zal de blaadjes
boven onze wortels wiegen. Wij,
grote witte lelies,

roze soms,
op het meer en daarna vliegt ze
naar de hemel toe en

biedt ons
aan.”
Misschien speurt

iemand anders nog de bodem af
op zoek naar
klei of rots

om ons te binden, maar maak
de wind toch geen verwijten.
Ondergronds

heeft zij geen zuurstof,
boven
kan de wind slechts

waaien.”

– Malon