09 oktober 2020

SQUAMOSA, PETROSA, TYMPANICA.

Luister – hoor je het geluid achter
het geluid
daarachter?

Dat is je naam, ze dampt nog na.
De stoom klinkt
als een sissend

vraagstuk.
Wat was je heet. Je zweette
de verhoging uit mijn schaamstreek weg

en de verkoudheid
uit mijn rug.
Het ging zo vlug.

We dansten samen uit de pas. Je leidde
me mijn ritme uit
en groeide

hard.
Luister toch. Lieve man.
Ik weet dat al die klanken die je ‘s nachts

in mijn gehoorgang legt
slechts korrels zijn
tegen het driedelig gebeente van het binnen

in mijn oor
en dat we ijlen, schat,
maar toch.

Ik had net ja gezegd.
Jij liet mijn kraakbeen gonzen,
bonkend bot,

legde je hijgen in mijn long.
Jij werd de kom rondom mijn trommel.
Alleen jij

kon die koorts
uit mijn dijen
lokken.

– Malon

08 oktober 2020

NIET DE MODDER.

Vroeger was het beter.
Toen
bleven we voor eeuwig jong,

bewogen we nog speels,
keken met ogen
zonder leeftijd.

Nu rimpelt ouderdom over je hand –
Ze trok je aan je arm
en rende weg. Iets grijzigs

nam je mee.
Het regent. In de plassen op het karrenspoor
houdt zij je tegen,

legt haar palm in je hart en stelpt het galmen.
De tijd stopt kalk in je hals,
trekt het goud uit je haar,

dekt alles af met zilver
verf,
verlopen waardebonnen en gaat dan

verder.
Je hebt niks bij je. Jullie hollen.
Beiden op pantoffels, hobbelend over de hei.

Dan kijk je om, plots sta je tot je nek aan
in de klei
en het dondert

niemand.
Je bent de tijd vergeten. Ergens halverwege
verdween ze in de struiken.

Ooit was ze je vriendin.
De ijzeren band om je buik verstikt je,
zij wordt strak

aangetrokken.
Je bent gekrompen.
Voor al wat je verzameld hebt

is het lijf waar je leeft te klein geworden.
De klem, tevreden in je vlees,
knijpt nog een beetje.

Ze komt nog één keer langs, de tijd
werkt alle laatste groeven bij.
De rimpels, tekenen

van het verleden
en de kring
onder vermoeide leden.

Beneden
in de plassen kijk je.
Waar is ze toch gebleven.

Je gezicht
is dat
van een vreemde.

– Malon

09 oktober 2020

NATTE ELEKTRICITEIT.

In de wederopbouw van ons land
ligt de zee
aan de overkant

en jij, kleine vliegenier, boven je ster
vormige rivier
leek ooit zo groot

in je metalen vogel.
Misschien dat ik je stem terug vind
als deze ijstijd over is,

ergens
kilometers
onder de zeespiegel

en dat ons simpele verdriet (of liever nog:
de liefde)
drijft

op een bevroren sloot.
Maar nóg liever vind ik het stromen.
Twee ionen. Wij, twee

uitschieters van een hormoon in ons
semi-doorlatend vlies.
Toch, allerliefst, ja

liefst van alles nog
vind ik de trilling terug, ons
permanent

signaal van blijven. Wij,
twee toevalligheden, natte spanning,
vonken en elektriciteit.

Een trilling
vol met lieve dingen
en dat wij

overspringen.

– Malon

09 oktober 2020

VIS, MEERMIN, MENS, IK.

Ik denk
dat ik kort dood geweest ben
en daarna wakker werd

met boven me de sneeuw die
sneller viel dan sneeuw,
als bloesem bijna

in de lente
en onder me, op haar geheime plek
de vis

die stil hing in haar ijs.
Ik ben mijn vin kwijt en mijn kieuwen, die
nieuwe benen weten niet

waarheen haar vliezen
en haar schubben zijn, zij
kunnen

amper
lopen.
Ik probeerde op te staan

en door mijn kruin te ademen,
maar alles was nog
onder water,

wildernis
van dood koraal en wit
geraamte.

De vis – Ze keek nog net met ogen naar me,
helder en
doorzichtig en

vertelde hoe ik in het meer dook, van
elke stad
onder de

glazen bodem

– Malon

09 oktober 2020

OF DE BLOEM ZICHZELF OPNIEUW ZAL ZAAIEN.

De oostenwind van deze kale vlakte
keert terug
met al haar droogte.

Het is inmiddels half oktober.
De schrale oogst uit de woestijn die
bloeiend

rode rozen over haar ogen legt en zij
die nog de wee weg slaapt
met haar geloof

verraderlijk
dichtbij.
Wek mij maar weer wanneer de wereld is

om in te blijven
en niet dit zooitje, niet
dit lijden.

Ik ben verdoofd. Mijn
berooide handen
liggen bloot op schoot,

de rooftocht is inmiddels over en de ringen die ik droeg
schuiven om vreemde vingers
nu.

De zoon die ik ooit baarde
buigt
voorover.

Ternauwernood raken de tranen huid.
Aan deze dood
wordt niet ontkomen, maar hij –

Hij huilt
alsof hij haar bewatert, alsof
zijn bloem

zichzelf
opnieuw
zal

openen.

– Malon

09 oktober 2020

NOOIT DAT ENE.

Het enige wat we vonden
waren de tussenkomsten,
ons smalle bed met

opgehoopt
littekenweefsel
en een te hoge zuurgraad.

Het is nu negen maanden later
en jij neemt een verdwaalde hond
uit Portugal

mee
en ook de camper. Loki heet ze,
het lieve beest.

Ik bouw de onbewoonde kinderkamer om tot atelier
en schilder
hoe mijn buik er uit ziet.

Leeg, zwart,
stuk
je.

Water
dat niet breekt,
de regen

zonder boog en al die leuke kleuren.
Waar gaan ze heen
als ze niet ooit

tevoorschijn komen.
Ik leg een nieuwe vlonder en bouw een houten trap
trede. Jij plant

een reisje in november,
bungalow
aan zee

en ook een boottocht.
We gaan weg.
Twee mensen en een hond.

Ik stuur een kaartje
naar een onbestaand
adres.

Het lijkt wel
of ons alles toekomt, maar nooit
dat ene.

– Malon

09 oktober 2020

HET EINDE VAN DE WERELD.

Het is avond, net voor tweeën
en langzaam vindt de regen
haar wegen

in de straten.
Even hiervoor viel ze de steden binnen,
geweldloos, alsof ze zeggen wilde:

“Het kan ook anders.”
Maar – werkelijk?!
De kathedraal is inmiddels neergehaald,

het plein vernield
en op de brug daar bij de esdoorn
staat

een jongen; haar verwaaid, het hoofd
in een knoop gelegd,
propellers

te aanbidden. Hij zwaait
de beelden uit.
Zijn handen, rusteloos,

zochten ooit plekjes in elkaar,
maar blijven blaadjes strooien,
alsof ze zeggen willen:

“Wij bidden niet langer,
ons geloof
is ten einde.”

En dan begint hij glas te rapen,
veegt stukken
van de heer bijeen;

het glas in lood,
het rood
uit de ramen,

alsof hij zeggen wil: “Dit
was Uw breekpunt,
wat

als U nooit meer opstaat.”
Dit draaien, draaien, alsmaar
draaien –

De helikopters nemen vlucht
en de laatste psalm
wordt uit het hoofd gedaan.

Het was zo koud die dag
dat de lucht versplinterde
en er waren lange schaduwen

die dansten
op de scherven.
Er is geen land meer over om te bederven

en wij vallen van de rand af
met de bijbel vast
geklemd.

“Laat je hand toch los”,
zegt de jongen
op de laatste berg.

“Als het einde van de wereld komt
zul je de mens
glashelder

door de hemel horen denderen.”

– Malon

29 september 2020

ALLEEN VOOR DE MOOIEN.

Er had zich zoveel kunnen voltrekken,
maar het voltrok zich
elders.

Het gebeurt alleen maar
met de mooie mensen, met de
beste

exemplaren
en ik
ben er geen voorbeeld van.

Ik ben geen “mooie” –

Dit lichaam, dat mij gegijzeld heeft.
Een verstuikte enkel
in de hoek

van mijn wreef
en mijn berooide handen,
bloot

op schoot.
Een ruggengraat
vol osteoporose.

Ik ben geen “mooie” –

maar ik zoek ook niet langer
tevergeefs
naar decimalen achter de komma

of de kortste weg
tussen twee punten.
Ik heb geen

enig,
enkel,
flauw

benul meer
van de richting die we op gaan
met al die

hunkerende
liefde
of waar ons zuchtend lijf naartoe leidt.

Ik ben geen “mooie” –

maar wel ken ik het
lichtjes
reiken van mijn hartje en die

wiebelende spier daar
in mijn bonkende borstkas als ik naar je kijk
en hoe ik

door het bed smelt of ik
ongewerveld
ben.

Ik ben geen “mooie” –

maar misschien is dat niet de bestemming,
zijn wij geen
“mooien”,

zijn wij,
gewoon
gelede dieren zonder bot en vloeibaar

trekkend
in de porie
van de ander. Zout

op onze rug.
Jij, die
sierlijke heupen mee hebt genomen

en ik,
vastgezogen aan jouw borst,
die niet

van de liefde af kan blijven.

– Malon

28 september 2020

HET BROOD EN DE BELIJDENIS.

Aan de wand het grote kruis, ervoor
de kuise meisjes die
de psalm herhalen die ze

dagenlang al
in hun wang
bewaren.

32, versje 1.
“Vergiffenis, vergiffenis, vergiffenis.”
Och jullie, klein en kneedbaar, die op

deze leeftijd al verliezen dragen,
trek het ventiel
uit elkaars rug

en laat de adem gaan.
Het stof onder de zonde
is allang

vervlogen.
Een man is eruit opgestaan.
Och, kleintjes, jullie haartjes,

strak
gestrikt in staartjes en bij elkaar gebonden,
kapjes op,

een zwart gewaad erover nog
en al die sokken
hoog.

Laat het maar wapperen en waaien en
dans naakt
tussen de bloten.

In de kapel staat wel de pater,
hevig zwaaiend,
heilig

boek boven het hoofd,
maar wat
weet hij.

Hij heeft nog nooit zijn knie gestoten
aan de grond
of ooit

zijn hoofd
tegen
de hemel.

Dus voer de matze aan de vogels, kleintjes,
geef je cracker weg,
de wijn.

Jullie geloof.
Het brood
en de belijdenis. Zij

zullen ons niet bevrijden.

– Malon

27 september 2020

ELKE KEER DAT GRAS.

Ze vroeg me hoe het heette,
maar werkelijk –
ik wist het niet.

Een week lang trok ik gras uit elkaar
met de oude hark
uit de schuur

die al een jaar
stil
op het gazon had gelegen.

Op het pleintje speelde toen een jongen,
eenzaam,
met een bal

of een eenzame jongen met een bal
of een jongen
met een eenzame bal.

Wat was het.

Ach, het doet er ook niet toe.
Hij had een blije stoel kunnen zijn
voor mijn part. Enfin –

Hij was alleen, schopte ertegen,
holde er dan achteraan
en schopte nog eens.

En zo zag ik mijn eigen hoofd
dus ook
voor zichzelf uit rollen. Ik propte

nog een pluk pollen in mijn hark,
drukte hooi in mijn tanden,
zag de bal liggen,

prikte mijn vork erin,
nam een hap,
gele bal,

de smaak van zonlicht.
Ik kan nog steeds geen naam verzinnen voor
elke keer dat opkomen,

elke keer dat
gras dat terug blijft willen,
elke keer

die voeten die
achter die
gele bal aan moeten.

Ze ligt daar nu zo stiI
dat ik haar
alles

wel had kunnen noemen.

– Malon