10 februari 2020

CIARA.

De storm rekt hier haar armen op
en klemt zich
om de bodem.

Is dit hoe God zijn hemel opent? Er vallen
witte veren uit het gat dat
in de hemel is

gebroken. Het sneeuwt. Een kind stort neer,
een dode vogel.
Het weesje houdt haar beer nog

dicht tegen zich
aan. Er vliegt iets
heen en weer

het gat in. Ik hoor het gillen van de wind,
maar het zijn
gieren

om de lichamen. Ze cirkelen
en vieren iets.
Pas op!

Daar gaat het knuffeldier.
De wind bewaakt de poort
met twee gordijnen om haar schouders.

De bloemen vallen uit het stof.
Wat is de hemel
vol.

Ze kan de engelen niet langer houden
en slaat haar
armen in het rond

tot elke bleke schaduw
als een vlokje
naar de aarde

dondert.
Elke wolk moet leeggeblazen,
elke

zwaarte zichzelf dragen
en als we wakker worden,
morgen

ligt daar de nachtvorst,
rood,
op straat.

– Malon

10 februari 2020

ZE ZAL HAAR EIGEN TAAL VERLATEN.

Leg haar te drogen in het warme zand
en wacht daar
tot de traan verdampt is.

Strijk naast haar lichaam neer,
wring soms het water uit haar wimpers,
maar

zeg niks.
Je mag de slapende hond
niet wakker maken. Wees

voorzichtig.
Het is gevaarlijk.
Ze zal haar eigen taal verlaten

en de woorden
die ze niet verdraagt.
Ze zal zich mengen met de lucht en

in haar leegte opgaan.
Je kunt niet alles hardop zeggen,
wees alsjeblieft

gewaarschuwd.
Ze gaat niet langer slapen
maar wel haar ogen dicht

doen,
vluchten in haar witte bed en trekt het spook
over de schaamte.

Daar blijft ze liggen,
stil,
onder zijn schim.

Nee, echt, ze kan het nIet vertellen,
anders had ze het gedaan.
Al had ze het gewild,

ze is te bang voor de man
die in haar slaapt
en totdat je haar weg kunt blazen zal ze

alles
willen
verliezen.

– Malon

06 februari 2020

WAAROM MAAK IK ALLES STUK.

En toen was er
niks meer over.
De nevel is vannacht gekomen

samen met het beest dat
in mijn hoofd
heeft overwinterd en ik

zie niet langer het verschil
tussen de zee, de kim, de boten, lucht of
meeuwen.

Alles mist.
De regen viel
tot net boven de aardse korst, haar kop,

laag bij de grond en dan die
tanden.
Ik kon door alle waas niet zien of ze nog

binnen in mij rondliep of naar
buiten was gekropen,
weet ook niet

wat ik liever had.
Ik viel weg tegen de achtergrond,
werd schim

en vaal gestalte. De papperige grijze massa
waas
voor mijn pupillen en

sindsdien ben ik mijn eigen kwelling.
Ik zet voor elke stap vooruit
een wildklem

aan mijn poten. Hier is niets
nergens,
nergens nooit en

nooit wordt niemand iemand meer en ik blijf
jagen
op mijn grauwe spook.

Ik was zo bang om achtervolgd te worden
dat ik me stil hield
op de vlakte.

Het was de kus die me verried.
mijn ogen
dood,

maar mijn lippen warm, doorbloed, nog
zacht en
rood.

– Malon

31 januari 2020

VERBEELDINGSKWAST.

Ze komt niet langer overeind,
haar
handen zijn te zwaar om nog een

verfkwast in het nat
te dopen,
maar het

schilderij is droog.
Ze heeft het landschap uit haar lijst
gebroken,

doet haar ogen toe en
gaat er
wonen.

Het is een uurtje voor de zon op komt,
donker nog,
de hemel

heeft haar nooit geholpen
om het
hogere doel te kunnen begrijpen van die

hechtingen in liezen,
naalden, prikken, pillen,
agressieve

medicijnen,
slangen in een hals en
niets te kiezen.

Wat is er weinig om te blijven.
Van daar op aarde is ze veel te klein om
elk detail

te overzien,
maar zo kan ze
elders zijn.

En misschien is dit het dan,
wat ze van
witte kamers leerde.

Hoe bevrijdend haar verbeelding is.
Ze ziet veel meer
met haar hand

voor haar ogen,
de mooiste dingen
met haar ogen

dicht.

– Malon

30 januari 2020

SNEEUWENGEL.

Ik lig tegen je warmte aan,
ben koud
van buiten in de sneeuw

en naast mijn huid
lig jij.
In de lucht bukken de vogels.

De winter snijdt
ze open.
De kilte kent ons heel persoonlijk en we wachtten

tot de tijd verschoof,
maar naast elke twijfeling
lig jij.

En ik kwam bij je.
Heel dichtbij.
Losgevroren van de zomer,

rommel in mijn haar,
ogen
slaperig en jij de

enige
engel
binnen bereik.

Alleen jij lijkt te begrijpen
waarom ik zoeken blijf naar dat wat je me
steeds weer

doet geloven.
Ik verboog onder de winter
en het leven

dat ik lijd.
Soms krijs ik naar de hemel boven,
maar naast al het ijs

dat daar vandaan komt
en naast alle
eenzaamheid

lig jij.

– Malon

29 januari 2020

VOOR HET GEVAL DAT.

Ik heb het oprijlaantje weggedaan, de
heg, de glazen in de
kast

en zelfs het stepje van een kind
dat ik
nooit had.

Ik heb het allemaal verlaten.
De tafelpoot, de hal. Ik drink nog een keer
koffie

in de haven,
klets over de cavia die
ik zojuist heb weggebracht, over

het sterven en het
heengaan
dat zich alsmaar blijft hervatten.

Ik gooi mijn mondhoeken daar
in het water,
de brug ziet ze nog even lachen,

maar die zijn niet meer nodig,
straks,
ze zouden maar gaan hangen.

Ik heb de deurklink weggeflikkerd.
Het liefste ben ik hier
heel alleen,

want afscheid nemen
kan ik niet en
zeker niet van wat ontvalt

zonder het
vooraf
te weten.

– Malon

28 januari 2020

GEEN SCHIJN VAN KANS.

Ik had de doffe hoeken
weggepoetst, dacht ik,
maar die

schaduw lijkt toch echt op iemand
die ik al lang
verloren ben.

En ik zit er
middenin,
op mijn handen en mijn knieën.

Veeg haar donker bij elkaar,
alsof de lucht waarin ze ligt
iets heel, heel

zwaars is.
Ooit heb ik haar verlaten
om de mens eraan

te leren kennen,
maar wat nu als ze terug is hier als
onbekende.

Zal ik dan gaan zitten
wachten tot ze wil vertrekken met me
en verdwalen

op een plek
waar ik niet verder wilde gaan.
Zal ik er

zoeken in haar blonde haren
naar het as en naar de wilde zwaluw
die streng

voor streng
het muffe grijs
uit haar vandaan trekt. En zal ik

mijzelf daar vinden, dan,
met mijn handen rond mijn eigen nek
klauwend

naar mijn hoofdhuid.
Kaalgeplukt van wanhoop,
nagels

in mijn eigen donker
tastend
naar wie ik ben.

– Malon

27 januari 2020

ZELFS DAN WIL IK HET NIET GELOVEN.

Ik voel hoe de warmte je lijf verlaat
en droom ervan
mijn hoofd te begraven.

Een laatste keer voordat je gaat
kruip ik dan
in je haren, in je

lieve, zachte haren.
Schik je pluis op mijn huid,
leg me daar.

En je zou zeggen,
zoals altijd: “Kom maar.
Kom maar, kleine meid,

helemaal tot aan me toe en
leg je oor maar
op mijn boezem.

Hoor je hoe mijn lijf het doet?
Luister goed.
Het hobbelt en het

zwoegt.”
Er waren vele dagen
dat we daar zo lagen, samen.

Ik hoorde de golven
gaan en komen en
hoe je stroom

stil
kwam te staan.
Je ebde uit je lichaam weg,

bleef daar,
zou nooit de weerga
van je weggaan kennen.

En ik, ik droom alleen nog maar
van vloeiend water
in je lijf.

Dan leg ik mijn hand neer
in je bloed
en knijp

en knijp
en knijp
en knijp.

– Malon

26 januari 2020

WAS DE HEMEL MAAR PAPIER GEWEEST.

Ik zie dat wolken
zich in een knoop hebben gelegd
en hoe je

het moment ontdekt,
maar dat moment is
leeg en

weg. Het
enige wat jij nog weet is
hoe je moet vergeten.

Ik heb de schemer niet goed ingeschat.
Waarom heeft niemand
wat gezegd.

Het is voor jou niet uit te leggen
hoe massief
die leemte is

en hoe solide openingen.
Van streek zie je het schuim om je mond
en de kleur

van al je benen.
Waar ben je toch
naartoe gegaan

en wie komt je daar
ooit nog tegen.
Je schuifelt door het huis

alsof je denkt dat je nog terug zult keren,
maar alles hier is bleek en
kunstlicht.

Vaag en mistig.
Doffe nevel. Elke
herinnering is mee met jou.

Elke
verbintenis met mij
verdwenen.

Als ik met jou naar buiten ga
voel ik de wind die even oud is
als al het

leven er omheen.
En hoe het stormt bij jou,
vanbinnen

raast en
er zal zoveel na je waaien nog, ons
om de oren vliegen,

samen en
alleen,
ach –

was de hemel maar papier geweest
dan had ik
luchtkusjes gevouwen

die je bewaren kon
als tastbaar
strelen,

al was het
van een
vreemde.

– Malon

25 januari 2020

IETS VAN OORLOG.

Ze leven in de stalen buizen
ver beneden ons, de
ondergrondsen,

waar nacht zich afsluit van de stompe mens
en schaduwen sterven
in het donker.

Het leven is er uitgemergeld,
zelfs warmen aan de naakte ander
werkt op deze plek

niet meer.
Terwijl de jonge jongens
bange helden worden

schrokt iemand boven hen
een brood weg
met beleg en

zonder honger en
blijven kleine meisjes achter
met twee baby’s in hun buik,

een lege maag en
platte borsten.
Het vel wordt van hun romp getrokken,

en wij maar
hebben voor de heb.
We halen schouders op en

gaan dan verder.
“Het is de schuld van hun geweten,
daarin

zitten ze gevangen.”
Dat zegt men dan
net voor het dutje

in dat warme, knusse bed.
We doet de ogen dicht
en zijn

vertrokken. Zacht genesteld
in de slaap. Niemand
beseft dat wij rust kennen

omdat we liggen
op de lijken
waarop die vrijheid wordt

gedragen.

– Malon