27 decembe 2020

ONTSTOKEN.

Ik stapte uit de lucht,
onder het deinen
in iets dat

eindeloos veel sterker was
dan ik.
De stroom, van plan om alles mee te slepen, trok

aan mijn kuiten, dreunde,
slingerde
zich om zichzelf zelfs heen, nam al

wat het kon nemen.
Ik liet me naar de vissen zakken,
de zuurstof

die mijn long verlichtte
achter
aan het oppervlak.

Niets ooit is er me opgevallen,
buiten
jouw provocerend lachen, niet

hoe soms de
wind veel kouder is
aan het begin van de nacht,

aan de rand van die vlakte waar jij me
jouw jas gaf en
ik mijn eerste

kus, niet
hoe vlug de
druiven van kleur veranderen

naargelang het licht,
niks van hun paars of rood of blauw
of lichtgroen

leek toch ooit
oranje.
Ik zag jou. Alleen maar jou.

Mondhoeken,
vechtend tegen de zwaartekracht,
lange vingers,

zachte randen
en pas nadat ik jou gezien had
werd de wereld

anders.
Ik zag de brand.
Ik zag het exploderen van de stampers,

ik zag elk molecuul,
de Sturm und Drang, had
oog ineens voor wat

al was, dat
wat me nooit was opgevallen
zonder

ander.

– Malon

25 december 2020

SCRABBLE MET LEESTEKENS.

Zwarte Bobby
en zijn zwarte vader
speelden een potje scrabble

op de veranda.
“Ik heb slecht geslapen.
Ik had een nachtmerrie.”

Zijn pa stond op.
Het vel hing losjes om zijn botten,
de rug

was krom.
Bobby dacht wel een beetje te weten
waarom zijn pa ‘s nachts wakker lag

en hoe het kwam
dat hij de lakens van zich af sloeg
als het zweet hem uitbrak

en vroeg:
“Waarom, pappa,
waarom?

Wanneer houd je nou eens op
de witte spoken
in je slaap te achtervolgen.

Het is het niet waard.
Verspil geen tijd
met het najagen van degenen

die je iets verschuldigd zijn,
als je niet oppast
blijf je straks eeuwig

staan
in de vorm
waarin zij je hebben gedrongen.”

Ach,
wat wist Bobby.
Bobby was opgegroeid in plantages waar

verstoppertje werd gespeeld
en mais gegrild
op open vuur.

Bobby had nog nooit gebukt
onder het juk
van blanke mannen

of zijn handen aan katoen geschaafd,
bloedspetters
op zijn jas gespot

van tabaksplanten
of graan.
Bobby

was jong.
Bobby kwam later.
“Waarom?”

Vroeg hij zijn pa nogmaals,
maar de oude man
gaf geen antwoord.

Hij bukte nog eens
om een letter op te pakken,
hand

op zijn vergroeide rug
en liet zijn lichaam
praten.

Als hij zo in het zonlicht stond
leek hij een beetje op een vraagteken,
een traan

op de grond en gebogen
wanneer hij weende,
aan de aarde

die hij had gedragen vroeg:
waarom.
Waarom.

– Malon

24 december 2020

I’M NO HAPPENING

The damp,
hanging still above the hills,
is full of ghosts.

This morning
all is broken,
but them – They

were the exceptions.
They offered me a bed,
which I constantly declined, thinking

they might mean to make me cry.

But here I am,
after their so-many-attempts:

refusing one after another,
now speckled in the ditch with
mud and all the smoke of their belonging

touching.
My ribs are heavy.
I try to breathe,

but smog takes way, way, way more space
than every
empty.

My capacity seemed endless, once.
I’ve had my wild mind spin like horses without heads
on an ever going carroussel

and questioned:

Is this a test?
Am I supposed to come to terms with dust

and particles?
To have this heavy mist in me, me
tying myself to strings of

such a great complexity,
just to keep their company
close?

I doze – Diluted, but yet full of envy
and confused I
try to sleep, while

in the meantime, between failures,
I become one
with the enemy.

The ditch seems deeper since I’m in here.
Cramps of fear
and anger

strangle my belly.
I hold the air and beg them not
to leave.

Choked on my own breath, tangled up
and scared,
only the troubled sky is left.

It’s them: the lastings,
floating,
roaming through my skull.

They do just as ghosts do –
Obviously
they haven’t quite meant anything.

– Malon

24 december 2020

JAMPOTGLAZEN & PINCHOS (voor Emmy).

De uitputting in haar ogen
heeft iets
poëtisch.

De stand van haar benen:
een beetje scheef –
De armen

krom
van al de houvast die zij zocht
in al het leven.

Ja,
er zijn vlekken. Ja,
er zijn schrammen. Ja,

er zijn tekenen dat zich
een heel
harde

geschiedenis al afgespeeld heeft onder haar
kleding.
Ze draagt twee armbanden

om haar pezige polsen,
losjes
staat zij

op haar enkels.
Soms zie ik haar: kin,
zwaar

op de tafel,
strelen vingers zichzelf.
Het hoofd,

zwart,
op haar
dunne nek gedragen.

– Malon

22 december 2020

HET BELANG VAN DESTRUCTIE.

Daar verderop
ligt de andere kant
en in het midden van de nacht zit ik nog steeds

met een handdoek om me heen geslagen
bij het water aan de rand
van alles.

Mijn lijf hangt somber
op het pleintje
en ik zie armen

aan de overzijde
die zich uitstrekken naar mij
en ik

die terug reik:
twee eindeloos lange armen,
maar er niet bij kan.

Ik heb buikpijn.
Zo vaak al heb ik zo gezeten,
starend in een gat dat zich niet opent.

De boten drijven.
De haven is te klein.
Ik grijp,

maar immer
mis.
Dit leerde mij de noodzaak van verliezen.

Hoe geruststellend het niet is iets
kwijt
te raken.

Het leven.
Het eind dat komt.
Het grote niets

dat onvermijdelijk volgt
en dat er voor niemand van ons nog
consequenties

zijn.

– Malon

22 december 2020

VOOR DE SCHADUW HET BEVESTIGT.

Het was of ze steeds een andere duisternis binnen ging –
Een die dieper was
dan onze

en een die net iets harder
instortte,
alsof ze de donkerte voor wilde zijn,

het zwart
dat alsmaar groter werd
naarmate de grond naderde.

Zij wilde neerkomen
nog voor
haar schaduw.

En er zijn dagen dat ik haar nog hoor,
ritselend
aan een tak.

Een blad,
een beetje geel geworden van de dood.
En misschien wàs ze wel gewoon

dat blad,
wilde ze schudden met een windvlaag
en traagjes

naar beneden komen. Dwarrel,
de weerstand van een veer bevatten in plaats van
steeds maar vast zitten

daar aan haar boom.
Misschien wilde ze samen komen op een
rustig bospad,
los

van stam
en op een plek
waar wij uiteindelijk allemáál samen komen, ergens

na de herfst, het winteren.
De wind
uit ons geslagen,

met een laatste knak
die het bestaan bevestigt,
opnieuw

met duizenden bij elkaar,
opnieuw met duizenden
onder

de schaduw.

– Malon

21 december 2020

ONDERDUIKEN.

En daar voor me
ligt de zee
die stijgt al van

een enkele getreurde traan,
maar niemand
die het weet.

Ik leef al weken
onder water.
Daar, waar de regen me niet raken kan en ik

mijn adem
voor mezelf kan houden.
Ik stond op dunne enkels voor haar.

Hoofd gebogen. Heel
het leven
onbegrepen

genoeg
om vergeven te worden.
Zij was zo ongelofelijk onpeilbaar.

Al waren wij met velen. Al stonden wij bij zeemansgraven,
schreiend

of verlegen zwijgend:
Het verschil in haar
is niet te meten.

Hoe hongerig zij was. Hoeveel verdriet
zij nu al heeft
verdreven.

– Malon

21 december 2020

OVERHELLEN AAN DE STYX.

Ik heb er
over nagedacht,
maar zal de aantallen nooit weten –

De mannen
die verdronken
in rivieren

en vrouwen,
opgeslokt
door liefde.

Het is voor niets geweest.
Al wat zij
moesten verliezen en al wat zij

ermee
verdienden:
het hield geen stand,

maar toch –
Alsnog was er dat aandringen,
dat

willen vast zitten van handen
aan een paar
andere.

Ik zag de vingers om me heen,
miljarden
grijpend

in het rond, of dat kon
uitstellen
wat onontkoombaar was:

dat wij nog overhelden bij de pont,
Charon
obolen

onder onze tong vandaan trok,
wij elkaar los lieten
en ook de liefde,

dat niets
behouden bleef
in

de overtocht.

– Malon

01 november 2020

Mijn gedicht “Sloddervos”, op mp3, met een eigen compositie erachter.

28 oktober 2020

-SOP, -SCHUIM EN ZEEBELLEN.

Zo liet ik mij van winden waaien
en jij stortte je neer in wit daar,

wiegend


op de golf –
“Weet je nog van toen wij stierven
en hoe dat helemaal niets hielp?”


De weg liep dood, maar ondanks dat
trok onze stroom nog steeds haar spoor

en wij, wij vliegen


hier wel vaker zo een uur of wat bij Katwijk,
zoeken krabben in het schuim en spelen
zeemeermin en kapiteintje, lijden


schipbreuk op de vloedlijn,
zetten er 
ons leven voort.

Twee meeuwen. Geen betekenis.

Een nest zonder adres en een zee
die ons beweegt;
ze geeft ons richting.

En altijd 

waren wij maar onderweg,
al ging niemand
ook maar ergens heen.



– Malon